Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 41:1-13

Aan de leider. Een melodie van Da̱vid. 41  Gelukkig is een ieder die de geringe consideratie betoont;+ Op de dag van rampspoed zal Jehovah hem ontkoming verschaffen.+   Jehovah zelf zal hem behoeden en hem in het leven houden.+ Hij zal gelukkig geprezen worden op de aarde;+ En gij kunt hem onmogelijk aan de ziel* van zijn vijanden overleveren.+   Jehovah zelf zal hem schragen op een divan van ziekte;+ Heel zijn bed zult gij stellig veranderen tijdens zijn ziekte.+   Wat mij betreft, ik zei: „O Jehovah, betoon mij gunst.+ Genees toch mijn ziel, want ik heb tegen u gezondigd.”+   Wat mijn vijanden betreft, zij zeggen wat slecht is over mij:+ „Wanneer zal hij sterven en zijn naam werkelijk vergaan?”   En zo er al iemand komt om [mij] te zien, is het onwaarheid wat zijn hart zal spreken;+ Hij zal zich iets schadelijks vergaren; Hij zal naar buiten gaan; buiten zal hij [erover] spreken.+   Allen die mij haten, fluisteren onder elkaar eensgezind tegen mij;+ Zij blijven tegen mij beramen wat slecht voor mij is:+   „Iets nietswaardigs* is over hem uitgestort;+ Nu hij zich heeft neergelegd, zal hij niet weer opstaan.”+   Ook de man die in vrede met mij leefde, op wie ik vertrouwde,+ Die mijn brood at,+ heeft [zijn] hiel grootgemaakt tegen mij.*+ 10  Wat u betreft, o Jehovah, betoon mij gunst en richt mij op,+ Opdat ik het hun kan vergelden.+ 11  Hieraan weet ik werkelijk dat gij behagen in mij hebt gevonden, Dat mijn vijand niet in triomf over mij juicht.+ 12  Wat mij betreft, wegens mijn rechtschapenheid hebt gij mij ondersteund,+ En gij zult mij tot onbepaalde tijd voor uw aangezicht stellen.+ 13  Gezegend zij Jehovah, de God van I̱sraël,+ Van onbepaalde tijd, ja, tot onbepaalde tijd.+ Amen en Amen.*+

Voetnoten

Of: „aan de zielsbegeerte.” Hebr.: bene′fesj; Lat.: a′ni·mam; LXX: „in de handen.” Zie 35:25 vtn.
Lett.: „Een belialsstuk (ding van waardeloosheid).”
„[Zijn] hiel grootgemaakt tegen mij”, MLXXVg.
Dit vs. is een doxologie, d.w.z. een lofprijzing van Jehovah God, en komt overeen met de doxologie aan het eind van de andere vier boeken, namelijk in Ps 72, 89, 106 en 150.