Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 32:1-11

Van Da̱vid. Maskil.* 32  Gelukkig is hij wiens opstandigheid wordt vergeven, wiens zonde wordt bedekt.+   Gelukkig is de mens* wie Jehovah de dwaling niet toerekent,+ En in wiens geest geen bedrog is.+   Toen ik bleef zwijgen, teerden mijn beenderen weg door mijn gekerm* de gehele dag.+   Want dag en nacht was uw hand zwaar op mij.+ Mijn levenssap is veranderd als in de droge zomerhitte.+ Sela.   Ten slotte beleed ik u mijn zonde, en mijn dwaling bedekte ik niet.+ Ik zei: „Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen aan Jehovah.”+ En gijzelf hebt de dwaling van mijn zonden vergeven.+ Sela.   Daarom zal iedere loyale persoon tot u bidden+ Op slechts zulk een tijd dat gij te vinden zijt.+ Wat de vloed van vele wateren betreft, ze zullen hemzelf niet bereiken.+   Gij zijt een schuilplaats voor mij; gij zult mij beveiligen voor de benauwdheid zelf.+ Met vreugdekreten bij het verschaffen van ontkoming zult gij mij omringen.+ Sela.   „Ik zal u inzicht schenken en u onderrichten in de weg die gij dient te gaan.+ Ik wil raad geven met mijn oog op u.*+   Maakt U niet als een paard of muildier zonder verstand,+ Wier vurigheid zelfs door toom of halster bedwongen dient te worden+ Voordat [ze] tot u zullen naderen.”*+ 10  Talrijk zijn de smarten die de goddeloze heeft;+ Maar wat degene betreft die op Jehovah* vertrouwt, louter liefderijke goedheid* omringt hem.+ 11  Verheugt U in Jehovah* en weest blij, GIJ rechtvaardigen;+ En heft een vreugdegeroep aan, GIJ allen die oprecht van hart zijt.+

Voetnoten

„Maskil.” Hebr.: mas·kilʹ, wat mogelijk „beschouwend, bespiegelend gedicht” betekent. Volgens sommigen verschaft 2Kr 30:22 een aanknopingspunt voor de betekenis, want daar komt een soortgelijk woord voor dat met „die met doorzicht handelden” weergegeven is. LXX: „Snel van begrip.” Zie 53:2 vtn., „Inzicht heeft”.
Of: „de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
Lett.: „gebrul.”
„Ik wil mijn oog op u gericht houden”, door een geringe correctie.
Of: „opdat ze niet . . . naderen.” Lett.: „er geen naderen . . . is.” De hier in het Hebr. gebruikte ww.-vorm is een infinitivus constructus.
Zie App. 1C (10).
Of: „loyale liefde.”
Zie App. 1C (10).