Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 30:1-12

Een melodie. Een lied bij de inwijding van het huis.+ Van Da̱vid. 30  Ik zal u verhogen, o Jehovah,* want gij hebt mij omhooggetrokken+ En gij hebt niet toegelaten dat mijn vijanden zich over mij verheugen.+   O Jehovah,* mijn God, ik schreeuwde tot u om hulp, en gij hebt mij toen genezen.+   O Jehovah, gij hebt mijn ziel uit Sjeo̱o̱l* zelf doen opkomen;+ Gij hebt mij in het leven gehouden, opdat ik niet in de kuil zou afdalen.+   Bezingt Jehovah* met melodieën, o GIJ zijn loyalen,+ Brengt dank aan zijn heilige gedachtenis;*+   Want onder zijn toorn te zijn, is voor een ogenblik,+ Onder zijn goede wil te zijn, is voor het hele leven.+ In de avond kan geween zijn intrek nemen,+ maar in de morgen is er vreugdegeroep.+   Wat mij betreft, ik heb in mijn onbezorgdheid gezegd:+ „Nimmer zal ik aan het wankelen worden gebracht.”+   O Jehovah,* in uw goede wil hebt gij mijn berg in sterkte doen staan.+ Gij hebt uw aangezicht verborgen; ik geraakte ontsteld.+   Tot u, o Jehovah,* bleef ik roepen;+ En tot Jehovah* bleef ik om gunst smeken.+   Wat voor gewin is er in mijn bloed, wanneer ik in de kuil* neerdaal?+ Zal het stof u prijzen?+ Zal het van uw waarachtigheid* vertellen?+ 10  Hoor, o Jehovah,* en betoon mij gunst.+ O Jehovah,* toon u mijn helper.+ 11  Gij hebt mijn rouw voor mij in gedans veranderd;+ Gij hebt mijn boetezak losgemaakt en houdt mij met verheuging omgord,+ 12  Opdat [mijn] heerlijkheid* u met melodieën moge bezingen en niet het stilzwijgen bewaart.+ O Jehovah,* mijn God, tot onbepaalde tijd wil ik u prijzen.+

Voetnoten

Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).
„Sjeool.” Hebr.: sjeʼōl′; Gr.: hai′dou; Lat.: in·fer′no. Zie App. 4B.
Zie App. 1C (10).
„Aan zijn heilige gedachtenis.” Lett.: „ter gedachtenis (vermelding) van zijn heiligheid.” Hebr.: leze′kher qodh·sjō′.
Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·nai′ hebben veranderd. Zie App. 1B.
„De kuil.” Hebr.: sja′chath; T: „het hart van het graf”; LXXSyVg: „het verderf.”
Of: „waarheid; betrouwbaarheid.”
Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).
„Mijn heerlijkheid”, LXXVg.
Zie App. 1C (10).