Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 29:1-11

Een melodie van Da̱vid.* 29  Schrijft aan Jehovah,*GIJ zonen der sterken,* Schrijft aan Jehovah* heerlijkheid en sterkte toe.+   Schrijft aan Jehovah* de heerlijkheid van zijn naam toe.+ Buigt U neer voor Jehovah* in heilige feestdos.+   De stem* van Jehovah* is over de wateren;+ De glorierijke God*+ zelf heeft gedonderd.+ Jehovah* is over vele wateren.+   De stem van Jehovah is krachtig;+ De stem van Jehovah is prachtig.+   De stem van Jehovah breekt de ceders; Ja, Jehovah breekt de ceders van de Li̱banon aan stukken,+   En hij laat ze rondhuppelen als een kalf,+ De Li̱banon en de Si̱rjon*+ als de zonen van wilde stieren.*   De stem van Jehovah houwt met de vuurvlammen;+   Ja, de stem van Jehovah doet de wildernis ineenkrimpen,+ Jehovah doet de wildernis van Ka̱des+ ineenkrimpen.   Ja, de stem van Jehovah doet de hinden ineenkrimpen van weeën+ En ontbloot de wouden.*+ En in zijn tempel zegt een ieder: „Glorie!”+ 10  Op de geweldige vloed* heeft Jehovah plaats genomen;+ En Jehovah zetelt als koning tot onbepaalde tijd.+ 11  Jehovah zelf zal inderdaad sterkte aan zijn volk schenken.+ Jehovah zelf zal zijn volk zegenen met vrede.+

Voetnoten

LXX voegt toe: „van de laatste dag van het Tentfeest”; Vg voegt toe: „bij de voleinding (voltooiing) van de tabernakel.”
Zie App. 1C (10).
Of: „zonen van goden”; of: „goddelijken”; of: „zonen Gods.” Hebr.: benē′ ʼe·lim′. Indien het Hebr. woord ʼe·lim′ majesteitsmv. is van ʼel, betekent het „God”. T: „gij engelenscharen, gij zonen Gods”; LXX: „gij zonen Gods, . . . gij zonen van rammen”; SyVg: „gij zonen van rammen.” Vgl. 89:6 vtn. en Da 11:36, waar de uitdr. ʼEl ʼe·lim′, „God der goden”, voorkomt.
Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).
„De stem.” Deze uitdr. komt in deze psalm zeven keer voor.
Zie App. 1C (10).
„God.” Hebr.: ʼEl.
Zie App. 1C (10).
„Sirjon.” De oude Sidonische naam voor de berg Hermon. Zie De 3:9.
„Van eenhoorns”, LXXVgc, lett.: „van eenhoornigen”, maar doelend op wilde stieren.
„En brengt de steenbokken tot een snelle baring”, door een correctie van M.
Of: „de hemeloceaan.” Zie Ge 6:17 vtn., „Watervloed”.