Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 28:1-9

Van Da̱vid. 28  Tot u, o Jehovah, blijf ik roepen.+ O mijn Rots, wees niet doof voor mij,*+ Opdat gij u niet stilhoudt tegenover mij+ En ik niet hoef te worden als zij die in de kuil neerdalen.+   Hoor de stem van mijn smekingen, wanneer ik tot u schreeuw om hulp, Wanneer ik mijn handen ophef+ naar het binnenste vertrek van uw heilige plaats.+   Ruk mij niet weg met de goddelozen en met de beoefenaars van wat schadelijk is,+ Degenen die vrede spreken met hun metgezellen,+ terwijl er kwaad in hun hart is.+   Geef hun naar de wijze waarop zij te werk gaan+ En naar de slechtheid van hun praktijken.+ Ja, geef hun naar het werk van hun handen.+ Vergeld hun naar hun eigen doen.+   Want zij slaan geen acht op de activiteiten van Jehovah,+ Noch op het werk van zijn handen.+ Hij zal hen omverhalen en niet opbouwen.   Gezegend zij Jehovah,* want hij heeft de stem van mijn smekingen gehoord.+   Jehovah* is mijn sterkte+ en mijn schild.+ Op hem heeft mijn hart vertrouwd,+ En ik ben geholpen, zodat mijn hart uitbundige vreugde heeft,+ En met mijn lied zal ik hem prijzen.+   Jehovah* is een sterkte voor zijn volk,*+ En hij is een veste van de grootse redding van zijn gezalfde.*+   Red toch uw volk, en zegen uw erfdeel;+ En weid hen en draag hen tot onbepaalde tijd.+

Voetnoten

Of: „wend u niet zwijgend van mij af.”
Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).
Zie App. 1C (10).
„Voor zijn volk”, LXXSyVg en acht Hebr. hss.; M: „voor hen.”
„Zijn gezalfde.” Hebr.: mesji·chōʹ; Gr.: chriʹstou; Syr.: mesji·cheh; Lat.: chriʹsti.