Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 26:1-12

Van Da̱vid. 26  Richt mij,+ o Jehovah, want ik voor mij heb in mijn eigen rechtschapenheid gewandeld,+ En op Jehovah heb ik vertrouwd, opdat ik niet wankel.+   Onderzoek mij, o Jehovah, en stel mij op de proef;+ Louter mijn nieren* en mijn hart.+   Want uw liefderijke goedheid staat mij voor ogen, En ik heb in uw waarheid gewandeld.+   Ik heb niet neergezeten met mensen van onwaarheid;+ En bij hen die verbergen wat zij zijn, treed ik niet binnen.+   Ik heb de gemeente* der boosdoeners gehaat,+ En met de goddelozen zit ik niet neer.+   Ik zal mijn handen in louter onschuld wassen,+ En ik wil rondom uw altaar gaan, o Jehovah,+   Om luid* dankzegging te doen horen,+ En al uw wonderwerken bekend te maken.+   Jehovah, ik heb de woning van uw huis liefgehad+ En de plaats waar uw heerlijkheid verblijf houdt.+   Neem mijn ziel niet weg* te zamen met zondaars,+ Noch mijn leven te zamen met mannen aan wie bloedschuld kleeft,+ 10  In wier handen losbandig gedrag is,+ En wier rechterhand vol steekpenningen is.+ 11  Wat mij betreft, ik zal in mijn rechtschapenheid wandelen.+ O verlos mij+ en betoon mij gunst.+ 12  Mijn eigen voet zal stellig op een effen plaats staan;+ Onder de bijeengekomen menigten* zal ik Jehovah zegenen.*+

Voetnoten

Of: „mijn diepste gevoelens.” Hebr.: khil·jō·thai′.
„De gemeente.” Hebr.: qehal′; Gr.: ek·kle′si·an; Lat.: ec·cle′si·am.
Lett.: „met een stem.”
Lett.: „Vergader . . . niet.”
„Onder de bijeengekomen menigten.” Hebr.: bemaq·he·lim′; Gr.: ek·kle′si·ais; Lat.: ec·cle′si·is.
„Jehovah zegenen”, MTSy; LXXVg: „u zegenen, o Jehovah.”