Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 26:1-12

Van Da̱vid. 26  Richt mij,+ o Jehovah, want ik voor mij heb in mijn eigen rechtschapenheid gewandeld,+En op Jehovah heb ik vertrouwd, opdat ik niet wankel.+   Onderzoek mij, o Jehovah, en stel mij op de proef;+Louter mijn nieren* en mijn hart.+   Want uw liefderijke goedheid staat mij voor ogen,En ik heb in uw waarheid gewandeld.+   Ik heb niet neergezeten met mensen van onwaarheid;+En bij hen die verbergen wat zij zijn, treed ik niet binnen.+   Ik heb de gemeente* der boosdoeners gehaat,+En met de goddelozen zit ik niet neer.+   Ik zal mijn handen in louter onschuld wassen,+En ik wil rondom uw altaar gaan, o Jehovah,+   Om luid* dankzegging te doen horen,+En al uw wonderwerken bekend te maken.+   Jehovah, ik heb de woning van uw huis liefgehad+En de plaats waar uw heerlijkheid verblijf houdt.+   Neem mijn ziel niet weg* te zamen met zondaars,+Noch mijn leven te zamen met mannen aan wie bloedschuld kleeft,+ 10  In wier handen losbandig gedrag is,+En wier rechterhand vol steekpenningen is.+ 11  Wat mij betreft, ik zal in mijn rechtschapenheid wandelen.+O verlos mij+ en betoon mij gunst.+ 12  Mijn eigen voet zal stellig op een effen plaats staan;+Onder de bijeengekomen menigten* zal ik Jehovah zegenen.*+

Voetnoten

Of: „mijn diepste gevoelens.” Hebr.: khil·jō·thaiʹ.
„De gemeente.” Hebr.: qehalʹ; Gr.: ek·kleʹsi·an; Lat.: ec·cleʹsi·am.
Lett.: „met een stem.”
Lett.: „Vergader . . . niet.”
„Onder de bijeengekomen menigten.” Hebr.: bemaq·he·limʹ; Gr.: ek·kleʹsi·ais; Lat.: ec·cleʹsi·is.
„Jehovah zegenen”, MTSy; LXXVg: „u zegenen, o Jehovah.”