Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 18:1-50

Aan de leider. Van Jehovah’s knecht, van Da̱vid, die de woorden van dit lied tot Jehovah gesproken heeft op de dag dat Jehovah hem uit de handpalm van al zijn vijanden en* uit de hand van Saul had bevrijd.+ Hij dan zei: 18  Ik zal genegenheid voor u hebben,* o Jehovah, mijn sterkte.+   Jehovah is mijn steile rots en mijn vesting en Degene die mij ontkoming verschaft.+ Mijn God* is mijn rots. Tot hem zal ik mijn toevlucht nemen,*+ Mijn schild en mijn hoorn van redding, mijn veilige hoogte.+   Degene die lof moet worden toegebracht, Jehovah, zal ik aanroepen,+ En van mijn vijanden zal ik worden gered.+   De koorden des doods omgaven mij;+ Ook bleven stortvloeden van nietswaardige [mannen]* mij verschrikken.+   Ja, de koorden van Sjeo̱o̱l omringden mij;+ De strikken van de dood lagen vóór mij.+   In mijn benauwdheid bleef ik Jehovah aanroepen, En tot mijn God* bleef ik om hulp schreeuwen.+ Uit zijn tempel hoorde hij toen mijn stem,+ En mijn eigen hulpgeschreeuw voor zijn aangezicht kwam nu in zijn oren.+   Daar schokte en schudde de aarde,+ Ja, de grondvesten van de bergen geraakten in beroering,+ En ze bleven heen en weer schokken omdat zijn toorn was opgewekt.+   Rook steeg op bij zijn neusgaten, en louter vuur uit zijn mond bleef verslinden;+ Louter gloeiende kolen laaiden uit hem op.   Hij boog nu de hemel neer en daalde af.+ En dikke donkerheid was onder zijn voeten. 10  En hij kwam op een cherub gereden en kwam gevlogen,+ En hij kwam toegeschoten op de vleugels van een geest.*+ 11  Hij maakte toen duisternis tot zijn schuilplaats,+ Rondom zich als zijn hut, Donkere wateren,* dichte wolken.+ 12  Uit de glans vóór hem trokken zijn wolken voorbij,+ Hagel en brandende kolen vuur.+ 13  En in de hemel ging Jehovah donderen,+ En de Allerhoogste zelf liet voorts zijn stem weerklinken,+ Hagel en brandende kolen vuur. 14  En hij bleef zijn pijlen uitzenden, om hen te verstrooien;+ En bliksemstralen schoot hij af, om hen in verwarring te brengen.+ 15  En de stroombeddingen der wateren werden zichtbaar,+ En de grondvesten van het productieve land* werden ontbloot+ Vanwege uw bestraffing, o Jehovah, vanwege het geblaas* van de adem* van uw neusgaten.*+ 16  Hij zond* van omhoog, hij nam mij,+ Hij trok mij uit grote wateren.+ 17  Hij bevrijdde mij van mijn sterke vijand,+ En van hen die mij haatten; omdat zij sterker waren dan ik.+ 18  Zij bleven zich tegenover mij stellen op de dag van mijn ongeluk,+ Maar Jehovah werd mij tot steun.+ 19  En hij bracht mij vervolgens uit in een ruime plaats;+ Hij verloste mij, omdat hij behagen in mij had gevonden.+ 20  Jehovah beloont mij overeenkomstig mijn rechtvaardigheid;+ Overeenkomstig de reinheid van mijn handen vergeldt hij mij.+ 21  Want ik heb de wegen van Jehovah gehouden,+ En ik ben niet goddeloos afgeweken van mijn God.+ 22  Want al zijn rechterlijke beslissingen staan mij voor ogen,+ En zijn inzettingen zal ik niet van mij verwijderen.+ 23  En ik wil mij onberispelijk jegens hem betonen,+ En ik zal mij weerhouden van dwaling mijnerzijds.+ 24  En laat Jehovah mij vergelden overeenkomstig mijn rechtvaardigheid,+ Overeenkomstig de reinheid van mijn handen voor zijn ogen.+ 25  Jegens iemand die loyaal is,* zult gij loyaal handelen;*+ Jegens de onberispelijke, fysiek sterke man zult gij onberispelijk handelen;+ 26  Jegens degene die zich rein bewaart, zult gij u rein betonen;+ En jegens de verkeerde zult gij u kronkelig* betonen;+ 27  Want het ellendige* volk zult gijzelf redden;+ Maar de hoogmoedige ogen zult gij vernederen.+ 28  Want gijzelf zult mijn lamp ontsteken, o Jehovah;+ Mijn God* zelf zal mijn duisternis verlichten.+ 29  Want door u kan ik op een roversbende inrennen;+ En door mijn God kan ik een muur beklimmen.+ 30  Wat de [ware] God betreft, volmaakt is zijn weg;+ Jehovah’s* woord is gelouterd.+ Een schild is hij voor allen die hun toevlucht tot hem nemen.+ 31  Want wie is een God* behalve Jehovah?*+ En wie is een rots dan alleen onze God?*+ 32  De [ware] God is het die mij vast omgordt met vitale kracht,+ En hij zal geven dat mijn weg volmaakt is,+ 33  Door mijn voeten als die van de hinden te maken,+ En op plaatsen die hoog voor mij zijn, houdt hij mij staande.+ 34  Hij onderwijst mijn handen tot de oorlogvoering,*+ En mijn armen hebben een koperen boog neergedrukt.+ 35  En gij zult mij uw schild van redding geven,+ En uw eigen rechterhand zal mij schragen,+ En uw eigen deemoed zal mij groot maken.*+ 36  Gij zult voldoende ruimte maken voor mijn schreden onder mij,+ En mijn enkels zullen stellig niet wankelen.+ 37  Ik zal mijn vijanden achtervolgen en hen inhalen; En ik zal niet terugkeren totdat zij zijn uitgeroeid.+ 38  Ik zal hen verpletteren zodat zij niet zullen kunnen opstaan;+ Zij zullen vallen onder mijn voeten.+ 39  En gij zult mij met vitale kracht omgorden voor de oorlogvoering; Gij zult hen die tegen mij opstaan, onder mij doen ineenstorten.+ 40  En wat mijn vijanden betreft, gij zult mij stellig [hun] nek geven;*+ En wat degenen betreft die mij intens haten, ik zal hen tot zwijgen brengen.+ 41  Zij schreeuwen om hulp, maar er is geen redder,+ Tot Jehovah,* maar in werkelijkheid antwoordt hij hun niet.+ 42  En ik zal hen fijnstampen als stof voor de wind;+ Als het slijk van de straten zal ik hen uitstorten.+ 43  Gij zult mij ontkoming verschaffen van het gevit van het volk.+ Gij zult mij tot hoofd van de natiën aanstellen.+ Een volk dat ik niet heb gekend — zij zullen mij dienen.+ 44  Op het horen zeggen alleen al zullen zij mij gehoorzamen;+ Ja, buitenlanders* zullen kruipend tot mij komen.+ 45  Ja, buitenlanders zullen verkwijnen, En zij zullen sidderend uit hun bolwerken komen.+ 46  Jehovah* leeft,+ en gezegend zij mijn Rots,+ En de God van mijn redding worde verhoogd.+ 47  De [ware] God is het die mij wraakoefeningen verschaft;+ En hij onderwerpt de volken onder mij.+ 48  Hij verschaft mij ontkoming van mijn toornige vijanden;+ Boven hen die tegen mij opstaan, zult gij mij verheffen,+ Van de man des gewelds zult gij mij bevrijden.+ 49  Daarom zal ik u prijzen onder de natiën, o Jehovah,+ En voor uw naam wil ik melodieën spelen.+ 50  Hij bewerkt grote reddingen voor zijn koning+ En betracht liefderijke goedheid* jegens zijn gezalfde,*+ Jegens Da̱vid en zijn zaad* tot onbepaalde tijd.+

Voetnoten

Of: „vooral.”
Of: „Ik zal u verhogen”, door een correctie van M.
„Mijn God.” Hebr.: ʼE·li′.
Of: „mijn rots, waartoe ik mijn toevlucht zal nemen.”
Of: „van geen nut (van waardeloosheid).” Lett.: „van belial.”
„Mijn God.” Hebr.: ʼElo·hai′.
Of: „de vleugels van de wind [LXXVgc: „der winden”].” Hebr.: kan·fē-roe′ach.
Lett.: „duisternis van wateren.”
„De bewoonde aarde”, LXX (hetzelfde woord als in Mt 24:14); Lat.: or′bis ter·ra′rum, „het rond der gehele aarde”.
„Vanwege het geblaas van.” Hebr.: min·nisj·math′; in Ge 2:7 weergegeven met „adem” in „levensadem.”
„Adem van.” Hebr.: roe′ach; Gr.: pneu′ma·tos; Lat.: spi′ri·tus. Zie Ge 1:2 vtn., „Kracht”.
Of: „toorn.”
Of: „reikte”, d.w.z. strekte (zond) zijn hand uit.
Of: „iemand van liefderijke goedheid.”
Of: „met liefderijke goedheid handelen.”
„Kronkelig” of, volgens de grondstam van het Hebr. ww., „draaiend”, zoals een worstelaar.
Of: „deemoedige.”
„Mijn God.” Hebr.: ʼElo·hai′.
„Jehovah’s.” Hebr.: Jehwah′; Gr. hs. Ambrosiana O 39 sup.: . Zie App. 1C (10).
„God.” Hebr.: ʼElō′ah, enk. van ʼElo·him′. Zie Job 3:4 vtn.
Zie App. 1C (10).
„Onze God.” Hebr.: ʼElo·hē′noe.
Of: „strijd.”
Of: „doen toenemen.”
D.w.z. hen voor mij doen vluchten.
Zie App. 1C (10).
Lett.: „zonen van een vreemd (land).”
Zie App. 1C (10).
Of: „loyale liefde.”
„Jegens zijn gezalfde.” Hebr.: lim·sji·chō′; Gr.: chri′stoi; Syr.: lam·sji·cheh; Lat.: chri′sto.
Of: „nageslacht; nakomelingschap.”