Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 17:1-15

Een gebed van Da̱vid. 17  Hoor toch, o Jehovah, naar wat rechtvaardig is; schenk toch aandacht aan mijn smekende geroep;+ Leen toch het oor aan mijn gebed, [geuit door] lippen zonder bedrog.+   Moge mijn recht van voor uw aangezicht uitgaan;+ Mogen uw eigen ogen oprechtheid aanschouwen.+   Gij hebt mijn hart onderzocht, gij hebt ’s nachts inspectie gehouden,+ Gij hebt mij gelouterd; gij zult ontdekken [dat] ik geen snode plannen heb gesmeed.+ Mijn mond zal geen overtreding begaan.+   Wat de activiteiten der mensen* betreft, Door het woord van uw lippen heb ikzelf mij gewacht voor de paden van de rover.+   Mogen mijn schreden vasthouden* aan uw sporen,+ [Waarin] mijn voetstappen stellig niet aan het wankelen gebracht zullen worden.+   Ikzelf roep u werkelijk aan, want gij zult mij antwoorden, o God.*+ Neig uw oor tot mij. Hoor naar wat ik zeg.+   Maak uw daden van liefderijke goedheid* wonderbaar,+ o Redder van hen die een toevlucht zoeken Tegen degenen die in opstand komen tegen uw rechterhand.+   Behoed mij als de pupil van de oogappel,+ Moogt gij mij in de schaduw van uw vleugels verbergen,+   Wegens de goddelozen die mij gewelddadig hebben geplunderd. Ja, de vijanden tegen mijn ziel blijven mij omsingelen.+ 10  Zij hebben [zich] omsloten met hun eigen vet;+ Met hun mond hebben zij in hoogmoed gesproken;+ 11  Wat onze schreden betreft, nu hebben zij ons omringd;+ Zij richten hun ogen [erop] naar de aarde te neigen.+ 12  Zijn gelijkenis is die van een leeuw die hunkert om te verscheuren+ En die van een jonge leeuw die in verborgen plaatsen zit. 13  Sta toch op, o Jehovah; treed hem toch onder de ogen;+ Doe hem bukken; verschaf met uw zwaard mijn ziel toch ontkoming van de goddeloze,+ 14  Van mensen, [door] uw hand, o Jehovah,+ Van mensen van [dit] samenstel+ van dingen,* wier deel is in [dit] leven,+ En wier buik gij vult met uw verborgen schat,+ Die verzadigd worden met zonen+ En die werkelijk voor hun kinderen opsparen wat zij overlaten.+ 15  Wat mij betreft, in rechtvaardigheid zal ik uw aangezicht aanschouwen;+ Ik zal stellig verzadigd worden wanneer ik bij het ontwaken uw gedaante [zie].*+

Voetnoten

Lett.: „[van] de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dham′.
Lett.: „Moge er een vasthouden zijn door mijn schreden.” Het Hebr. ww. in deze zinsnede staat in de infinitivus absolutus, een vorm waarbij tijd en persoon onbepaald zijn.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Lett.: „uw liefderijke goedheden.”
„Van [dit] samenstel van dingen.” Of: „van de levensduur.” Hebr.: me·che′ledh.
Of: „ik ontwaak met betrekking tot uw gedaante”, M; door een correctie: „ik uw gedaante aanschouw”; LXX: „uw heerlijkheid wordt gezien.”