Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 16:1-11

Een miktam* van Da̱vid. 16  Behoed mij, o God,* want tot u heb ik mijn toevlucht genomen.+   Ik heb tot Jehovah gezegd:* „Gij zijt Jehovah;* mijn goedheid is niet ter wille van u,+   [Maar] voor de heiligen die op de aarde zijn. Zij, ja, de majestueuzen, zijn het in wie al mijn welbehagen is.”+   De smarten worden vele voor hen [die], wanneer er iemand anders is, zich werkelijk [achter hem aan] haasten.+ Ik zal hun drankoffers van bloed niet plengen,+ En ik zal hun namen niet op mijn lippen nemen.+   Jehovah is het deel van wat mij toebedeeld is+ en van mijn beker.*+ Gij houdt mijn lot vast.   Ja, de meetsnoeren zijn voor mij in aangename plaatsen gevallen.+ Werkelijk, [mijn eigen] bezitting* is mij goed bevallen.   Ik zal Jehovah zegenen, die mij raad gegeven heeft.+ Waarlijk, in de nachten hebben mijn nieren* mij gecorrigeerd.+   Ik heb mij Jehovah voortdurend voor ogen gesteld.+ Omdat [hij] aan mijn rechterhand is, zal ik niet aan het wankelen worden gebracht.+   Daarom verheugt mijn hart zich werkelijk en is mijn heerlijkheid* geneigd blij te zijn.+ Ook zal mijn eigen vlees in zekerheid verblijven.+ 10  Want gij zult mijn ziel* in Sjeo̱o̱l* niet verlaten.+ Gij zult niet toelaten dat hij die jegens u loyaal is, de kuil* ziet.+ 11  Gij zult mij het pad des levens doen kennen.+ Verheuging tot verzadiging is bij uw aangezicht;+ Er is aangenaamheid aan uw rechterhand, voor eeuwig.+

Voetnoten

Hebr.: mikh·tam′. Een in KB, blz. 523, geopperde betekenis was „Boetpsalm”, maar KB3, blz. 551, 552, geeft als betekenis „epigram”. Derhalve zouden de zes psalmen met het opschrift „miktam” (Ps 16, 56–60) epigrammen zijn van de talrijke episoden die erin worden beschreven.
„God.” Hebr.: ʼEl.
„Ik heb . . . gezegd”, LXXSyVg en enkele Hebr. hss.; M: „Gij [in het Hebr. vr.] hebt . . . gezegd.”
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·nai′ hebben veranderd. Zie App. 1B.
„Jehovah, gij hebt mijn deel en mijn beker bestemd”, door een correctie van M.
„Mijn eigen bezitting”, LXXSyVg.
Of: „mijn diepste gevoelens.” Hebr.: khil·jō·thai′.
„Tong”, LXXVg.
„Mijn ziel.” Hebr.: naf·sji′; Gr.: psu′chen; Lat.: a′ni·mam. Zie App. 4A.
„Sjeool”, MSy; Gr.: hai′den; Lat.: in·fer′no. Zie App. 4B.
„De kuil”, M; LXXSyVg: „het verderf.”