Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 146:1-10

146  Looft Jah!*+ Loof Jehovah, o mijn ziel.+   Ik wil Jehovah loven mijn leven lang.+ Ik wil melodieën spelen voor mijn God zolang ik er ben.+   Stelt UW vertrouwen niet op edelen,+ Noch op de zoon van de aardse mens,* aan wie geen redding toebehoort.+   Zijn geest* gaat uit,+ hij keert terug naar zijn grond;+ Waarlijk, op die dag vergaan zijn gedachten.*+   Gelukkig is hij die de God* van Ja̱kob tot zijn hulp heeft,+ Wiens hoop is op Jehovah, zijn God,+   De Maker van hemel en aarde,+ Van de zee, en van al wat daarin is,+ Die waarachtig blijft tot onbepaalde tijd,+   Die recht verschaft aan hen die te kort zijn gedaan,+ Die brood geeft aan de hongerigen.+ Jehovah maakt de gebondenen los.+   Jehovah opent de [ogen der] blinden;+ Jehovah richt de neergebogenen op;+ Jehovah heeft de rechtvaardigen lief.+   Jehovah behoedt de inwonende vreemdelingen;+ De vaderloze jongen en de weduwe houdt hij staande,+ Maar de weg+ der goddelozen maakt hij krom.+ 10  Jehovah zal tot onbepaalde tijd koning zijn,+ Uw God, o Si̱on, van geslacht tot geslacht.+ Looft Jah!+

Voetnoten

Zie 104:35 vtn.
„De aardse mens.” Hebr.: ʼa·dham′.
Of: „Zijn adem.” Hebr.: roe·chō′; Gr.: pneu′ma; Lat.: spi′ri·tus.
„Waarlijk, op die dag vergaan zijn gedachten.” Of: „op die dag zijn zijn gedachten vergaan (moeten zijn gedachten vergaan).”
„Hij die de God van.” Hebr.: sje·ʼEl′.