Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 146:1-10

146  Looft Jah!*+Loof Jehovah, o mijn ziel.+   Ik wil Jehovah loven mijn leven lang.+Ik wil melodieën spelen voor mijn God zolang ik er ben.+   Stelt UW vertrouwen niet op edelen,+Noch op de zoon van de aardse mens,* aan wie geen redding toebehoort.+   Zijn geest* gaat uit,+ hij keert terug naar zijn grond;+Waarlijk, op die dag vergaan zijn gedachten.*+   Gelukkig is hij die de God* van Ja̱kob tot zijn hulp heeft,+Wiens hoop is op Jehovah, zijn God,+   De Maker van hemel en aarde,+Van de zee, en van al wat daarin is,+Die waarachtig blijft tot onbepaalde tijd,+   Die recht verschaft aan hen die te kort zijn gedaan,+Die brood geeft aan de hongerigen.+Jehovah maakt de gebondenen los.+   Jehovah opent de [ogen der] blinden;+Jehovah richt de neergebogenen op;+Jehovah heeft de rechtvaardigen lief.+   Jehovah behoedt de inwonende vreemdelingen;+De vaderloze jongen en de weduwe houdt hij staande,+Maar de weg+ der goddelozen maakt hij krom.+ 10  Jehovah zal tot onbepaalde tijd koning zijn,+Uw God, o Si̱on, van geslacht tot geslacht.+Looft Jah!+

Voetnoten

Zie 104:35 vtn.
„De aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
Of: „Zijn adem.” Hebr.: roe·chōʹ; Gr.: pneuʹma; Lat.: spiʹri·tus.
„Waarlijk, op die dag vergaan zijn gedachten.” Of: „op die dag zijn zijn gedachten vergaan (moeten zijn gedachten vergaan).”
„Hij die de God van.” Hebr.: sje·ʼElʹ.