Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 141:1-10

Een melodie van Da̱vid. 141  O Jehovah, ik heb u aangeroepen.+ Haast u toch tot mij.+ Leen toch het oor aan mijn stem wanneer ik tot u roep.+   Moge mijn gebed als reukwerk+ voor uw aangezicht worden bereid,+ Het opheffen van mijn handpalmen als het avondgraanoffer.+   Stel toch een wacht, o Jehovah, voor mijn mond;+ Stel toch een post bij de deur van mijn lippen.+   Neig mijn hart niet naar iets slechts,+ Om in goddeloosheid beruchte daden te bedrijven+ Met mannen* die het schadelijke beoefenen,+ Opdat ik mij niet met hun lekkernijen voed.+   Zou de rechtvaardige mij slaan, het zou een liefderijke goedheid zijn;+ En zou hij mij terechtwijzen, het zou olie op het hoofd zijn,+ Die mijn hoofd niet zou willen weigeren.+ Want tijdens hun rampspoeden zou toch mijn gebed er nog zijn.+   Hun rechters zijn neergeworpen langs de kanten van de steile rots,+ Maar zij hebben mijn woorden gehoord, dat ze aangenaam zijn.+   Als wanneer iemand op de aarde [iets] klooft en splijt, Zijn onze beenderen aan de mond van Sjeo̱o̱l verstrooid.+   Maar mijn ogen zijn op u, o Jehovah, de Soevereine Heer,+ [gericht].+ Tot u heb ik mijn toevlucht genomen.+ Giet mijn ziel niet uit.+   Behoed mij voor de klauwen van de val die zij voor mij hebben gelegd+ En voor de strikken van hen die het schadelijke beoefenen.+ 10  De goddelozen zullen allen te zamen in hun eigen netten vallen,+ Terwijl ík voorbijga.

Voetnoten

„Mannen.” Hebr.: ʼi·sjimʹ, mv. van ʼisj. Zie Jes 53:3 vtn., „Mensen”.