Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 140:1-13

Voor de leider. Een melodie van Da̱vid. 140  Verlos mij, o Jehovah, van slechte mensen;*+Moogt gij mij zelfs tegen de man van gewelddaden beveiligen,+   Degenen die slechte dingen in [hun] hart hebben beraamd,+Die de gehele dag blijven aanvallen zoals in oorlogen.+   Zij hebben hun tong gescherpt als die van een slang;+Het gif van de hoornadder is onder hun lippen.+ Sela.   Behoed mij, o Jehovah, voor de handen van de goddeloze;+Moogt gij mij zelfs tegen de man* van gewelddaden beveiligen,+Zij die plannen hebben gesmeed om mijn schreden weg te stoten.+   Degenen die zich verheffen, hebben een val voor mij verborgen;+En touwen hebben zij als een net uitgespreid aan de kant van het spoor.+Strikken hebben zij voor mij gezet.+ Sela.   Ik heb tot Jehovah* gezegd: „Gij zijt mijn God.*+Leen toch het oor, o Jehovah, aan de stem van mijn smekingen.”+   O Jehovah, de Soevereine Heer,+ de sterkte van mijn redding,+Gij hebt mijn hoofd omschut op de dag van de gewapende macht.+   O Jehovah, willig de sterke begeerten van de goddeloze niet in.+Bevorder zijn snode plan niet, opdat zij zich niet verheffen.+ Sela.   Wat de hoofden betreft van hen die mij omringen,+Moge de moeite van hun eigen lippen hen bedekken.+ 10  Mogen er brandende kolen op hen neerkomen.+Laat hen in het vuur gestort worden,+ in waterkuilen, opdat zij niet kunnen opstaan.+ 11  De grote zwetser* — hij worde niet stevig bevestigd op de aarde.+De man van geweld — laat louter kwaad hem najagen met herhaalde stoten.+ 12  Ik weet heel goed dat Jehovah zal volvoeren+De wettelijke aanspraak van de ellendige, de rechtszaak van de armen.+ 13  Waarlijk, de rechtváárdigen zullen uw naam dankzeggen;+De oprechten zullen voor uw aangezicht wonen.+

Voetnoten

Lett.: „van de . . . aardse mens.” Hebr.: me·ʼa·dhamʹ.
„Tegen de man van.” Hebr.: me·ʼisjʹ.
„Tot Jehovah.” Hebr.: la·Jhwahʹ.
„Mijn God.” Hebr.: ʼEʹli.
Of: „De lasteraar.” Lett.: „De man van tong.”