Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004) 

Psalm 14:1-7

Aan de leider. Van Da̱vid. 14  De persoon zonder verstand heeft in zijn hart gezegd: „Er is geen Jehovah.”*+ Zij hebben verderfelijk gehandeld,+ zij hebben verfoeilijk gehandeld in [hun] gedragingen. Er is niemand die het goede doet.*+   Wat Jehovah betreft, vanuit de hemel heeft hij neergezien op de mensenzonen,+ Om te zien of er iemand bestaat die inzicht heeft, iemand die Jehovah* zoekt.+   Zij zijn allen afgeweken,+ zij zijn [allen] te zamen verdorven;+ Er is niemand die het goede doet,+ Zelfs niet één.*+   Heeft dan geen van de beoefenaars van wat schadelijk is, kennis verkregen,+ Die mijn volk opeten zoals zij brood hebben gegeten?+ Zij hebben zelfs Jehovah niet aangeroepen.+   Daar werden zij met grote angst vervuld,*+ Want Jehovah* is onder het geslacht van de rechtvaardige.+   De raad van de ellendige zoudt gijlieden willen beschamen, Omdat Jehovah zijn toevlucht is.+   O dat uit Si̱on de redding van I̱sraël mocht dagen!+ Wanneer Jehovah de gevangenen van zijn volk laat terugkeren,+ Moge Ja̱kob dan blij zijn, moge I̱sraël zich verheugen.+

Voetnoten

Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·himʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
LXX voegt toe: „er is er zelfs niet één.”
Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·himʹ hebben veranderd; T: „Jehovah.” Zie App. 1B.
LXXVg voegen de woorden toe die in Ro 3:13-18 staan: „Hun keel is een geopend graf, met hun tong hebben zij bedrog gepleegd. Addergif is achter hun lippen. En hun mond is vol van vervloeking en bittere uitlatingen. Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten. Verderf en ellende zijn op hun wegen, en de weg des vredes hebben zij niet gekend. Geen vrees voor God staat hun voor ogen.”
Lett.: „werden zij beangst met een angst.”
Een van de acht keren dat de soferim JHWH in ʼElo·himʹ hebben veranderd; TVgc: „Jehovah.” Zie App. 1B.