Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004) 

Psalm 139:1-24

Voor de leider. Van Da̱vid. Een melodie. 139  O Jehovah, gij hebt mij doorvorst, en gij kent [mij].+   Gijzelf zijt mijn neerzitten en mijn opstaan te weten gekomen.+ Gij hebt mijn gedachte van verre beschouwd.+   Mijn op weg zijn en mijn uitgestrekt liggen hebt gij afgemeten,+ En met al mijn wegen zijt gij vertrouwd geraakt.+   Want er is geen woord op mijn tong,+ Of zie! o Jehovah, gij weet het reeds allemaal.+   Van achteren en van voren hebt gij mij belegerd; En gij legt uw hand op mij.   [Die] kennis is te wonderbaar voor mij.+ Ze is zo verheven dat ik ze niet kan bevatten.+   Waarheen kan ik uw geest ontgaan,*+ En waarheen kan ik uw aangezicht ontlopen?+   Zou ik naar de hemel opstijgen, daar zoudt gij zijn;+ En zou ik mijn rustbed in Sjeo̱o̱l* spreiden, zie! gij [zoudt daar zijn].+   Zou ik de vleugels+ van de dageraad nemen, Opdat ik verblijf zou kunnen houden in de verst verwijderde zee,+ 10  Ook daar zou úw hand mij geleiden+ En uw rechterhand zou mij vastgrijpen.+ 11  En zou ik zeggen: „Waarlijk, de duisternis zelf zal mij haastig grijpen!”+ Dan zou de nacht licht om mij heen zijn.+ 12  Ook de duisternis zelf zou voor u niet te donker blijken,+ Maar de nacht zelf zou schijnen net als de dag;+ De duisternis zou evengoed het licht kunnen zijn.*+ 13  Want gij zijt het die mijn nieren hebt voortgebracht;+ Gij hebt mij afgeschermd gehouden in de buik van mijn moeder.+ 14  Ik zal u prijzen omdat ik op een vrees inboezemende wijze wonderbaar ben gemaakt.+ Uw werken zijn wonderbaar,+ Zoals mijn ziel zeer wel weet.+ 15  Mijn beenderen waren voor u niet verborgen+ Toen ik in het verborgene werd gemaakt,+ Toen ik in de onderste delen*+ der aarde werd geweven. 16  Uw ogen zagen zelfs het embryo van mij,+ En in uw boek waren alle delen ervan beschreven, Met betrekking tot de dagen dat ze werden gevormd+ En nog niet één onder ze er was. 17  Dus hoe kostbaar zijn mij uw gedachten!+ O God,* hoeveel bedraagt de grootse som ervan wel niet!+ 18  Zou ik trachten ze te tellen, het zijn er zelfs meer dan de korrels van het zand.+ Ik ben wakker geworden,* en toch ben ik nog bij u.+ 19  O dat gij, o God,* toch de goddeloze zoudt doden!+ Dan zullen zelfs de mannen aan wie bloedschuld kleeft*+ stellig van mij wijken, 20  Die dingen over u zeggen volgens [hun] denkbeeld;+ Zij hebben [uw naam] op een onwaardige wijze opgenomen+ — uw tegenstanders.+ 21  Haat ik niet hen die u intens haten, o Jehovah,+ En walg ik niet van hen die tegen u opstaan?+ 22  Waarlijk, met een volkomen haat haat ik hen.+ Zij zijn mij tot ware vijanden geworden.+ 23  Doorvors mij, o God,* en ken mijn hart.+ Onderzoek mij, en ken mijn verontrustende gedachten,+ 24  En zie of er in mij soms een smartelijke weg is,+ En leid mij op de weg+ der onbepaalde tijd.

Voetnoten

Of: „[gaan] voor uw geest.” Hebr.: me·roe·cheʹkha; Gr.: pneuʹma·tos; Lat.: spiʹri·tu.
Sjeool.” Hebr.: sjeʼōlʹ; Gr.: haiʹden; Syr.: la·sjioel; Lat.: in·ferʹnum. Zie App. 4B.
Lett.: „zo de duisternis, zo het licht”; of: „als de duisternis, zo het licht.”
„Onderste delen.” Vgl. 63:9 vtn.
„God.” Hebr.: ʼEl.
„Ik ben aan mijn eind gekomen”, drie Hebr. hss.
„God.” Hebr.: ʼElōʹah.
Of: „de bloeddorstige mannen.” Lett.: „mannen van bloed [mv.].”
„God.” Hebr.: ʼEl.