Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 137:1-9

137  Aan de rivieren* van Ba̱bylon*+ — daar zaten wij.+ Ook weenden wij als wij aan Si̱on dachten.+   Aan de populierbomen+ in haar* midden Hingen wij onze harpen op.+   Want daar vroegen zij die ons gevangen hielden, ons om de woorden van een lied,+ En zij die de spot met ons dreven* — om vreugdebetoon:+ „Zingt voor ons een van de liederen van Si̱on.”+   Hoe kunnen wij het lied van Jehovah zingen+ Op vreemde grond?*+   Indien ik u zou vergeten, o Jeru̱zalem,+ Zij mijn rechterhand vergeetachtig.   Mijn tong kleve aan mijn gehemelte vast,+ Indien ik aan u niet zou denken,+ Indien ik Jeru̱zalem niet zou doen uitstijgen Boven mijn voornaamste reden tot vreugdebetoon.+   Gedenk,+ o Jehovah, met betrekking tot de zonen van E̱dom+ de dag van Jeru̱zalem,+ Die zeiden: „Legt [het] bloot! Legt [het] bloot tot op het fundament daarin!”+   O dochter van Ba̱bylon, die gewelddadig geplunderd zult worden,+ Gelukkig zal hij zijn die u vergeldt+ Naar uw eigen behandeling waarmee gij ons hebt behandeld.+   Gelukkig zal hij zijn die grijpt en werkelijk te pletter slaat+ Uw kinderen tegen de steile rots.

Voetnoten

Of: „grote rivier”, d.w.z. de Eufraat, indien mv. ter aanduiding van verhevenheid.
„Babylon”, LXXVg; MTSy: „Babel.”
„Haar”, doelend op „Babylon”.
„De spot met ons dreven.” De betekenis van het Hebr. woord is onzeker.
Lett.: „grond van een vreemd (land).”