Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 135:1-21

135  Looft Jah!*+ Looft de naam van Jehovah,+ Brengt lof, o knechten van Jehovah,+   GIJ die in het huis van Jehovah staat,+ In de voorhoven van het huis van onze God.+   Looft Jah,* want Jehovah is goed.+ Bezingt zijn naam met melodieën, want het is aangenaam.+   Want Jah heeft zich Ja̱kob uitgekozen,+ I̱sraël tot zijn speciale bezit.+   Want ik voor mij weet heel goed dat Jehovah groot is,+ En onze Heer* is meer dan alle [andere] goden.*+   Al wat Jehovah behaagde [te doen], heeft hij gedaan+ In de hemel en op de aarde, in de zeeën en alle waterdiepten.*+   Hij laat dampen opstijgen van het uiteinde* der aarde;+ Hij heeft zelfs sluizen* gemaakt voor de regen;+ Hij brengt de wind* te voorschijn uit zijn voorraadschuren,+   Hij die de eerstgeborenen van Egy̱pte sloeg,+ Van zowel mens* als dier.+   Hij zond tekenen en wonderen in uw midden, o Egy̱pte,+ Over Farao en over al zijn knechten;+ 10  Hij die vele natiën versloeg+ En machtige koningen doodde,+ 11  Ja, Si̱hon, de koning der Amorieten,+ En Og, de koning van Ba̱san,+ En alle koninkrijken van Ka̱naän,+ 12  En die hun land ten erfdeel gaf,+ Ten erfdeel aan zijn volk I̱sraël.+ 13  O Jehovah, uw naam is tot onbepaalde tijd.+ O Jehovah, uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.*+ 14  Want Jehovah zal de zaak van zijn volk bepleiten,+ En aangaande zijn knechten zal hij spijt gevoelen.+ 15  De afgoden der natiën zijn zilver en goud,+ Het werk van de handen van de aardse mens.*+ 16  Een mond hebben ze, maar ze kunnen nog geen [woord] spreken;+ Ogen hebben ze, maar ze kunnen niets zien;+ 17  Oren hebben ze, maar ze kunnen aan niets het oor lenen.+ Ook is er geen geest* in hun mond.+ 18  Degenen die ze maken, zullen net zo worden als zij,+ Ieder die erop vertrouwt.+ 19  O huis van I̱sraël, zegent Jehovah.+ O huis van Aä̱ron, zegent Jehovah.+ 20  O huis van Le̱vi, zegent Jehovah.+ GIJ die Jehovah vreest, zegent Jehovah.+ 21  Gezegend zij Jehovah vanuit Si̱on,+ Die verblijf houdt in Jeru̱zalem.+ Looft Jah!*+

Voetnoten

Zie 104:35 vtn.
Zie 68:4 vtn.
„En onze Heer.” Hebr.: wa·ʼAdho·nēʹnoe, mv. van ʼA·dhōnʹ, ter aanduiding van uitnemendheid of verhevenheid.
„Goden.” Hebr. en T(Aram.): ʼelo·himʹ; Gr.: theʹous; Lat.: diʹis.
Of: „woelige wateren.” Hebr.: tehō·mōthʹ; LXXVg: „afgronden.” Zie 33:7 vtn., „Woelige wateren”.
„Sluizen”, wanneer men bedha·qimʹ in plaats van bera·qimʹ leest; M(Hebr.: bera·qimʹ)TLXXSyVg: „bliksems.” Zie JTS, Jg. 3, 1952, blz. 214-216.
„Wind.” Hebr.: roeʹach; Gr.: aʹne·mous en Lat.: venʹtos, „winden”. Zie Ge 1:2 vtn., „Kracht”.
Lett.: „van . . . aardse mens.” Hebr.: me·ʼa·dhamʹ.
Of: „tot in alle geslachten.”
Of: „van de mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
Of: „adem.” Hebr.: roeʹach; Gr.: pneuʹma; Lat.: spiʹri·tus. Vgl. vs. 7 vtn., „Wind”; 104:29 vtn.
Zie 104:35 vtn.