Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 130:1-8

Een lied der opgangen. 130  Uit de diepten heb ik u aangeroepen, o Jehovah.+   O Jehovah,* hoor toch mijn stem.+ Mogen uw oren opmerkzaam blijken te zijn ten opzichte van de stem van mijn smekingen.+   Indien gij op dwalingen zoudt letten,+ o Jah,* O Jehovah,* wie zou stand kunnen houden?+   Want bij u is de [ware] vergiffenis,+ Opdat gij wordt gevreesd.+   Ik heb gehoopt, o Jehovah, mijn ziel heeft gehoopt,+ En op zijn woord heb ik gewacht.+   Mijn ziel [heeft gewacht] op Jehovah,*+ Meer dan wachters op de morgen,+ Die uitzien naar de morgen.+   Dat I̱sraël blijve wachten op Jehovah.+ Want er is liefderijke goedheid* bij Jehovah,+ En in overvloedige mate is er verlossing bij hem.+   En hijzelf zal I̱sraël verlossen van al zijn dwalingen.+

Voetnoten

Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·nai′ hebben veranderd. Zie App. 1B.
„Jah.” Hebr. en T(Aram.): Jah; LXXVg: „Jehovah.” Zie 68:4 vtn.
Zie vs. 2 vtn.
Zie vs. 2 vtn.
Of: „loyale liefde.”