Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Taal selecteren Nederlands

Psalm 120:1-7

Een lied der opgangen.* 120  Tot Jehovah riep ik in mijn benauwdheid,+En hij antwoordde mij toen.+   O Jehovah, bevrijd mijn ziel toch van leugenlippen,+Van de bedrieglijke tong.+   Wat zal men u geven, en wat zal men u toevoegen,O gij bedrieglijke tong?+   Gescherpte pijlen van een sterke man,+Met brandende kolen van de bremstruiken.+   Wee mij, want ik heb als vreemdeling vertoefd in Me̱sech!+Ik heb verwijld bij de tenten van Ke̱dar.+   Te lang heeft mijn ziel verwijld+Bij hen die vrede haten.*+   Ik ben voor vrede;+ maar als ik spreek,Zijn zíȷ́ voor oorlog.+

Voetnoten

Of: „Een lied der traptreden.” Dit is het eerste van de 15 Liederen der opgangen, Ps 120–134. Vgl. 2Kon 20:9-11.
„Hen die . . . haten”, LXXSyVg en acht Hebr. hss.; M: „hem die . . . haat.”