Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 119:1-176

א [ʼA′lef]* 119*  Gelukkig zijn degenen die onberispelijk zijn in [hun] weg,+ Degenen die in de wet van Jehovah wandelen.+    Gelukkig zijn degenen die zijn vermaningen in acht nemen;+ Met geheel het hart blijven zij hem zoeken.+    Waarlijk, zij hebben geen onrechtvaardigheid beoefend.+ Zijn wegen hebben zij bewandeld.+    Gijzelf hebt op gebiedende wijze uw bevelen gegeven,+ Opdat ze zorgvuldig onderhouden worden.+    O dat mijn wegen toch stevig bevestigd waren+ Om uw voorschriften te onderhouden!+    In dat geval zou ik niet beschaamd worden,+ Wanneer ik al uw geboden bezie.+    Ik zal u prijzen in oprechtheid van hart,+ Wanneer ik uw rechtvaardige rechterlijke beslissingen leer.+    Uw voorschriften blijf ik onderhouden.+ O verlaat mij niet geheel en al.+ ב [Bēth]*    Hoe zal een jonge man+ zijn pad reinigen? Door op zijn hoede te blijven overeenkomstig uw woord.*+  10  Met heel mijn hart heb ik u gezocht.+ Laat mij niet afdwalen van uw geboden.+  11  In mijn hart heb ik uw woord als een schat weggelegd,*+ Opdat ik niet tegen u zondig.+  12  Gezegend zijt gij, o Jehovah. Leer mij uw voorschriften.+  13  Met mijn lippen heb ik bekendgemaakt+ Al de rechterlijke beslissingen van uw mond.+  14  In de weg van uw vermaningen heb ik mij uitbundig verheugd,+ Net als over alle andere waardevolle dingen.*+  15  Met uw bevelen wil ik mij intens bezighouden,+ En ik wil op uw paden letten.+  16  In uw inzettingen zal ik mij verlustigen.+ Ik zal uw woord niet vergeten.+ ג [Gi′mel]*  17  Handel passend tegenover uw knecht, opdat ik moge leven+ En opdat ik uw woord moge onderhouden.+  18  Ontsluier mijn ogen,+ opdat ik De wonderbare dingen uit uw wet moge zien.+  19  Ik ben slechts een inwonende vreemdeling in het land.+ Verberg uw geboden niet voor mij.+  20  Mijn ziel is verbrijzeld van verlangen+ Naar uw rechterlijke beslissingen, altijd door.+  21  Gij hebt de vervloekte overmoedigen bestraft,+ Die afdwalen van uw geboden.+  22  Wentel smaad en verachting van mij af,+ Want ik heb úw vermaningen opgevolgd.+  23  Zelfs vorsten hebben neergezeten; tégen mij hebben zij onderling gesproken.+ Wat uw knecht betreft, hij houdt zich intens bezig met uw voorschriften.+  24  Ook zijn uw vermaningen mijn lust,+ Als mijn raadslieden.+ ד [Da′leth]*  25  Aan het stof heeft mijn ziel gekleefd.+ Houd mij in het leven* naar uw woord.+  26  Ik heb mijn eigen wegen bekendgemaakt, opdat gij mij moogt antwoorden.+ Leer mij uw voorschriften.+  27  Doe mij de weg van úw bevelen verstaan,+ Opdat ik mij intens moge bezighouden met uw wonderwerken.+  28  Mijn ziel is slapeloos geweest van droefheid.+ Richt mij op, naar uw woord.+  29  Doe zelfs de weg der leugen van mij wijken,+ En begunstig mij met uw eigen wet.+  30  De weg der getrouwheid heb ik gekozen.+ Uw rechterlijke beslissingen heb ik juist geacht.+  31  Ik ben aan uw vermaningen gehecht.+ O Jehovah, maak mij niet beschaamd.+  32  Over de weg van uw geboden zal ik voortsnellen,+ Want gij verruimt mijn hart.*+ ה [Heʼ]*  33  Onderricht mij, o Jehovah, in de weg van uw voorschriften,+ Opdat ik die in acht moge nemen tot het einde toe.+  34  Geef mij verstand, opdat ik uw wet moge nakomen+ En opdat ik haar met heel mijn hart moge onderhouden.+  35  Doe mij het pad van uw geboden betreden,+ Want daarin heb ik behagen gevonden.+  36  Neig mijn hart tot uw vermaningen,+ En niet tot gewin.*+  37  Wend mijn ogen af, opdat ze dat wat waardeloos is niet zien;+ Houd mij op úw weg in het leven.+  38  Doe aan uw knecht uw toezegging gestand,+ Die [gericht is] op de vrees voor u.+  39  Doe mijn smaad voorbijgaan, waarvoor ik bang ben geworden,+ Want uw rechterlijke beslissingen zijn goed.+  40  Zie! Ik heb verlangd naar uw bevelen.+ Houd mij in uw rechtvaardigheid in het leven.+ ו [Waw]*  41  En mogen uw liefderijke goedheden* tot mij komen, o Jehovah,+ Uw redding overeenkomstig uw toezegging,+  42  Opdat ik degene die mij smaadt, kan antwoorden met een woord,+ Want ik heb vertrouwd op uw woord.+  43  En neem het woord der waarheid niet geheel en al weg uit mijn mond,+ Want ik heb op uw eigen rechterlijke beslissing gewacht.+  44  En ik wil uw wet voortdurend onderhouden,+ Tot onbepaalde tijd, ja, voor eeuwig.+  45  En ik wil op een ruime plaats wandelen,+ Want ik heb úw bevelen gezocht.+  46  Ik wil ook voor koningen over uw vermaningen spreken,+ En ik zal niet beschaamd worden.+  47  En ik zal mij verlustigen in uw geboden,+ Die ik heb liefgehad.+  48  En ik zal mijn handpalmen opheffen naar uw geboden, die ik heb liefgehad,+ En ik wil mij intens bezighouden met uw voorschriften.+ ז [Za′jin]*  49  Gedenk het woord tot uw knecht,+ Waarop gij mij hebt doen wachten.+  50  Dit is mijn troost in mijn ellende,+ Want het is uw toezegging die mij in het leven heeft gehouden.+  51  Ja, de overmoedigen hebben mij tot het uiterste bespot.+ Van uw wet ben ik niet afgeweken.+  52  Ik heb gedacht aan uw rechterlijke beslissingen [die] sedert onbepaalde tijd [zijn], o Jehovah,+ En ik voel mij getroost.+  53  Ja, toorngloed heeft mij aangegrepen vanwege de goddelozen,+ Die uw wet verlaten.+  54  Uw voorschriften zijn mij tot melodieën geworden+ In het huis van mijn inwonende vreemdelingschap.+  55  In de nacht heb ik aan uw naam gedacht, o Jehovah,+ Opdat ik uw wet moge onderhouden.+  56  Zelfs dit is mij ten deel gevallen, Omdat ik uw bevelen heb opgevolgd.+ ח [Chēth]*  57  Jehovah is mijn deel;+ Ik heb beloofd uw woorden te onderhouden.+  58  Ik heb uw aangezicht vermurwd met heel [mijn] hart.+ Betoon mij gunst naar uw toezegging.+  59  Ik heb mijn wegen overdacht,+ Om mijn voeten te doen terugkeren tot uw vermaningen.+  60  Ik heb mij gehaast en heb niet getalmd+ Om uw geboden te onderhouden.+  61  Ja, de koorden van de goddelozen hebben mij omgeven.+ Uw wet ben ik niet vergeten.+  62  Te middernacht sta ik op om u te danken+ Voor uw rechtvaardige rechterlijke beslissingen.+  63  Een medestander ben ik van allen die u werkelijk vrezen,+ En van hen die uw bevelen onderhouden.+  64  Uw liefderijke goedheid,* o Jehovah, heeft de aarde vervuld.+ Leer mij úw voorschriften.+ ט [Tēth]*  65  Gij hebt uw knecht inderdaad welgedaan,+ O Jehovah, naar uw woord.+  66  Leer mij de goedheid,+ de verstandigheid+ en de kennis zelf,+ Want in uw geboden heb ik geloof geoefend.+  67  Voordat ik in ellende verkeerde, zondigde ik per abuis,+ Maar nu heb ik uw wóórd onderhouden.+  68  Gij zijt goed en doet goed.+ Leer mij uw voorschriften.+  69  De overmoedigen hebben mij met leugen besmeurd.+ Wat mij betreft, met heel [mijn] hart zal ik uw bevelen opvolgen.+  70  Hun hart is ongevoelig geworden, net als vet.+ Ik voor mij heb mij verlustigd in úw wet.+  71  Het is goed voor mij dat ik in ellende heb verkeerd,+ Opdat ik uw voorschriften leer.+  72  De wet+ van uw mond is goed voor mij,+ Méér zelfs dan duizenden stukken goud en zilver.+ י [Jōdh]*  73  Uw eigen handen hebben mij gemaakt, en ze hebben mij voorts vastigheid verleend.+ Geef mij verstand, opdat ik uw geboden moge leren.+  74  Zij die u vrezen, zíȷ́ zien mij en verheugen zich,+ Want ik heb op úw woord gewacht.+  75  Ik weet heel goed, o Jehovah, dat uw rechterlijke beslissingen rechtvaardigheid zijn+ En dat gij mij in getrouwheid hebt gekweld.+  76  Moge uw liefderijke goedheid er alstublieft toe dienen mij te vertroosten,+ Overeenkomstig uw toezegging aan uw knecht.+  77  Laten uw barmhartigheden tot mij komen, opdat ik mag blijven leven;+ Want uw wet is mijn lust.+  78  Dat de overmoedigen beschaamd worden, want zonder reden* hebben zij mij misleid.+ Wat mij aangaat, ik houd mij intens bezig met uw bevelen.+  79  Dat zij die u vrezen, tot mij terugkeren,+ Ook zij die uw vermaningen kennen.*+  80  Laat mijn hart onberispelijk blijken te zijn in uw voorschriften,+ Opdat ik niet beschaamd word.+ כ [Kaf]*  81  Naar uw redding heeft mijn ziel gesmacht;+ Op uw woord heb ik gewacht.+  82  Mijn ogen hebben gesmacht naar uw toezegging,+ Terwijl ik zeg: „Wanneer zult gij mij troosten?”+  83  Want ik ben geworden als een leren zak+ in de rook. Uw voorschriften ben ik niet vergeten.+  84  Hoeveel zijn de dagen van uw knecht?+ Wanneer zult gij het oordeel voltrekken aan hen die mij vervolgen?+  85  De overmoedigen hebben valkuilen gedolven om mij te vangen,+ Zij die niet in overeenstemming zijn met uw wet.+  86  Al uw geboden zijn louter getrouwheid.+ Zonder reden hebben zij mij vervolgd. O help mij.+  87  Weldra zouden zij mij op aarde hebben uitgeroeid;+ Maar ikzelf heb uw bevelen niet verlaten.+  88  Houd mij naar uw liefderijke goedheid in het leven,+ Opdat ik de vermaning van uw mond moge onderhouden.+ ל [La′medh]*  89  Tot onbepaalde tijd, o Jehovah,+ Staat uw woord vast in de hemel.*+  90  Uw getrouwheid is van geslacht tot geslacht.*+ Gij hebt de aarde gegrond, opdat ze kan blijven staan.+  91  Naar uw rechterlijke beslissingen zijn ze [tot op] heden blijven staan,+ Want ze zijn alle uw knechten.+  92  Indien uw wet mijn lust niet was geweest,+ Dan zou ik in mijn ellende zijn vergaan.+  93  Tot onbepaalde tijd zal ik uw bevelen niet vergeten,+ Want daardoor hebt gij mij in het leven gehouden.+  94  Ik ben de uwe. O red mij,+ Want ik heb úw bevelen gezocht.+  95  Op mij hebben de goddelozen gewacht, om mij te verdelgen.+ Ten opzichte van uw vermaningen blijf ik mij opmerkzaam betonen.+  96  Aan alle volmaaktheid heb ik een einde gezien.+ Uw gebod is zeer veelomvattend. מ [Mem]*  97  Waarlijk, hoe lief heb ik uw wet!+ De gehele dag heeft ze mijn intense belangstelling.+  98  Wijzer dan mijn vijanden maakt uw gebod mij,*+ Want tot onbepaalde tijd is het van mij.+  99  Meer inzicht dan al mijn leraren heb ik gekregen,+ Omdat uw vermaningen mijn intense belangstelling hebben.+ 100  Met meer verstand dan oudere mannen gedraag ik mij,+ Omdat ik úw bevelen heb opgevolgd.+ 101  Van elk slecht pad heb ik mijn voeten weerhouden,+ Om uw woord te kunnen onderhouden.+ 102  Van uw rechterlijke beslissingen ben ik niet afgeweken,+ Want gijzelf hebt mij onderricht.+ 103  Hoe zacht voor mijn gehemelte zijn uw woorden* geweest, Meer dan honing voor mijn mond!+ 104  Dank zij uw bevelen gedraag ik mij verstandig.+ Daarom heb ik elk leugenpad gehaat.+ נ [Noen]* 105  Uw woord is een lamp voor mijn voet,*+ En een licht op mijn pad.+ 106  Ik heb een beëdigde verklaring afgelegd, en ik wil die gestand doen,+ Om uw rechtvaardige rechterlijke beslissingen te onderhouden.+ 107  Ik ben ten zeerste gekweld.+ O Jehovah, houd mij in het leven naar uw woord.+ 108  Heb alstublieft een welgevallen in de vrijwillige gaven van mijn mond, o Jehovah,+ En leer mij úw rechterlijke beslissingen.+ 109  Mijn ziel is voortdurend in mijn handpalm;+ Maar uw wet ben ik niet vergeten.+ 110  De goddelozen hebben mij een valstrik gelegd,+ Maar van uw bevelen ben ik niet afgedwaald.+ 111  Ik heb mij uw vermaningen tot onbepaalde tijd eigen gemaakt,+ Want ze zijn de uitbundige vreugde van mijn hart.+ 112  Ik heb mijn hart geneigd om uw voorschriften te betrachten,+ Tot onbepaalde tijd, tot het einde toe.+ ס [Sa′mekh]* 113  De halfslachtigen heb ik gehaat,+ Maar uw wet heb ik liefgehad.+ 114  Gij zijt mijn schuilplaats en mijn schild.+ Op uw woord heb ik gewacht.+ 115  Gaat weg van mij, GIJ boosdoeners,+ Opdat ik de geboden van mijn God moge nakomen.+ 116  Steun mij naar uw toezegging, opdat ik blijf leven,+ En maak mij niet beschaamd wegens mijn hoop.+ 117  Schraag mij, opdat ik gered word,+ En ik zal mijn blik voortdurend op uw voorschriften gericht houden.+ 118  Gij hebt allen terzijde geworpen die van uw voorschriften afdwalen;+ Want hun bedriegerij is leugen.+ 119  Als schuimslakken hebt gij alle goddelozen der aarde doen ophouden [te bestaan].+ Daarom heb ik uw vermaningen liefgehad.+ 120  Uit angst voor u heeft mijn vlees een huiverig gevoel gehad;+ En wegens uw rechterlijke beslissingen ben ik bevreesd geweest.+ ע [ʽA′jin]* 121  Ik heb recht* en rechtvaardigheid geoefend.+ O lever mij niet over aan hen die mij te kort doen!+ 122  Treed op als borg voor uw knecht ten goede.+ Mogen de overmoedigen mij niet te kort doen.+ 123  Ja, mijn ogen hebben gesmacht naar uw redding+ En naar uw rechtvaardige woord.+ 124  Doe met uw knecht overeenkomstig uw liefderijke goedheid,+ En leer mij úw voorschriften.+ 125  Ik ben uw knecht.+ Geef mij verstand,+ Opdat ik uw vermaningen moge kennen.+ 126  Het is de tijd voor Jehovah om te handelen.+ Zij hebben uw wet verbroken.+ 127  Daarom heb ik uw geboden liefgehad,+ Meer dan goud, ja, dan gelouterd goud.+ 128  Daarom heb ik alle bevelen betreffende alle dingen als juist beschouwd;+ Elk leugenpad heb ik gehaat.+ פ [Peʼ]* 129  Uw vermaningen zijn wonderbaar.+ Daarom heeft mijn ziel ze in acht genomen.+ 130  Ja, het ontvouwen van uw woorden geeft licht,+ De onervarenen verstandig makend.+ 131  Mijn mond heb ik wijd geopend om te kunnen hijgen,+ Want naar uw geboden heb ik verlangd.+ 132  Wend u tot mij en betoon mij gunst,+ Overeenkomstig [uw] rechterlijke beslissing* ten aanzien van hen die uw naam liefhebben.+ 133  Bevestig mijn eigen schreden in uw woord,+ En moge niets schadelijks mij beheersen.+ 134  Verlos mij van elke bedrieger der mensheid,*+ En ik wil uw bevelen onderhouden.+ 135  Doe uw eigen aangezicht lichten over uw knecht,+ En leer mij uw voorschriften.+ 136  Stromen water zijn uit mijn ogen gevloeid+ Omdat men uw wet niet heeft onderhouden.+ צ [Tsa·dhē′]* 137  Gij zijt rechtvaardig, o Jehovah,+ En uw rechterlijke beslissingen zijn juist.+ 138  Gij hebt uw vermaningen+ geboden in rechtvaardigheid En in buitengewone getrouwheid.+ 139  Mijn vurige ijver heeft een eind aan mij gemaakt,+ Omdat mijn tegenstanders uw woorden zijn vergeten.+ 140  Uw woord is zeer gelouterd,+ En uw eigen knecht heeft het lief.+ 141  Ik ben onbetekenend en verachtelijk.+ Uw bevelen ben ik niet vergeten.+ 142  Uw rechtvaardigheid is een rechtvaardigheid tot onbepaalde tijd,+ En uw wet is waarheid.+ 143  Niets dan benauwdheid en moeilijkheden hebben mij getroffen.+ Uw geboden waren mijn lust.+ 144  De rechtvaardigheid van uw vermaningen duurt tot onbepaalde tijd.+ Geef mij verstand, opdat ik blijf leven.+ ק [Qōf]* 145  Ik heb geroepen met [mijn] gehele hart.+ Antwoord mij, o Jehovah.+ Uw voorschriften wil ik nakomen.+ 146  Ik heb u aangeroepen. O red mij!+ En ik wil uw vermaningen onderhouden.+ 147  Ik ben vroeg in de morgenschemering opgestaan,+ opdat ik om hulp kan schreeuwen.+ Op uw woorden heb ik gewacht.+ 148  Mijn ogen zijn de nachtwaken vóór geweest,+ Om mij intens bezig te houden met uw woord.+ 149  O hoor toch mijn stém, naar uw liefderijke goedheid.+ O Jehovah, houd mij naar uw rechterlijke beslissing in het leven.+ 150  Degenen die een losbandig gedrag*+ najagen, zijn naderbij gekomen;* Van uw wet zijn zij ver verwijderd geraakt.+ 151  Gij zijt nabij, o Jehovah,+ En al uw geboden zijn waarheid.+ 152  Lang geleden heb ik enkele van uw vermaningen gekend,+ Want tot onbepaalde tijd hebt gij ze gegrond.+ ר [Rēsj]* 153  O zie mijn ellende, en verlos mij;+ Want uw wet ben ik niet vergeten.+ 154  O voer toch mijn rechtsgeding en doe mij vrijuit gaan;+ Houd mij in het leven in overeenstemming met uw toezegging.+ 155  Redding is ver van de goddelozen,+ Want uw voorschriften hebben zij niet gezocht.+ 156  Vele zijn uw barmhartigheden, o Jehovah.+ Naar uw rechterlijke beslissingen, o houd mij in het leven.+ 157  Mijn vervolgers en mijn tegenstanders zijn vele.+ Van uw vermaningen ben ik niet afgeweken.+ 158  Ik heb hen gezien die verraderlijk handelen,+ En ik voel werkelijk een walging, want zij hebben úw woord niet onderhouden.+ 159  O zie dat ik úw bevelen heb liefgehad.+ O Jehovah, houd mij naar uw liefderijke goedheid in het leven.+ 160  De gehele inhoud* van uw woord is waarheid,+ En elke rechtvaardige rechterlijke beslissing van u duurt tot onbepaalde tijd.+ ש [Sin of Sjin]* 161  Vorsten zelf hebben mij zonder reden vervolgd,+ Maar mijn hart is voor úw woorden beducht geweest.+ 162  Ik heb uitbundige vreugde over uw woord,+ Net zoals iemand die veel buit vindt.+ 163  Leugen heb ik gehaat,+ en ik blijf ze werkelijk verfoeien.+ Uw wet heb ik liefgehad.+ 164  Zevenmaal per dag heb ik uw lof gezongen+ Om uw rechtvaardige rechterlijke beslissingen.+ 165  Overvloedige vrede behoort hun toe die uw wet liefhebben,+ En voor hen is er geen struikelblok.+ 166  Ik heb op uw redding gehoopt, o Jehovah,+ En naar úw geboden heb ik gedaan.+ 167  Mijn ziel heeft uw vermaningen onderhouden,+ En ik heb ze buitengewoon lief.+ 168  Ik heb uw bevelen en uw vermaningen onderhouden,+ Want al mijn wegen zijn vóór u.+ ת [Taw]* 169  Moge mijn smekende geroep dicht voor uw aangezicht komen, o Jehovah.+ Naar uw woord, o geef mij verstand.+ 170  Moge mijn verzoek om gunst voor uw aangezicht komen.+ Naar uw toezegging, o bevrijd mij.+ 171  Mogen mijn lippen lof doen opwellen,+ Want gij leert mij uw voorschriften.+ 172  Moge mijn tong uw woord bezingen,+ Want al uw geboden zijn rechtvaardigheid.+ 173  Moge uw hand dienen om mij te helpen,+ Want uw bevelen heb ik verkozen.+ 174  Ik heb verlangd naar uw redding, o Jehovah,+ En uw wet is mijn lust.+ 175  Moge mijn ziel in leven blijven en u blijven loven,+ En mogen úw rechterlijke beslissingen mij helpen.+ 176  Ik heb rondgedoold als een verloren schaap.+ O zoek uw knecht,+ Want uw geboden ben ik niet vergeten.*+

Voetnoten

In deze eerste strofe begint elk vs. met de eerste letter van het Hebr. alfabet, de ʼa′lef, die gewoonlijk niet wordt uitgesproken en getranscribeerd wordt als een enkelvoudig aanhalingsteken of een verhoogde komma (ʼ).
Dit is een acrostische, of alfabetische, psalm bestaande uit 22 strofen of versgroepen, in overeenstemming met de 22 letters van het Hebr. alfabet; elke strofe telt acht vss.
In deze tweede strofe begint elk vs. met de tweede letter van het Hebr. alfabet, de bēth, de Nederlandse „b”.
Of: „zijn pad reinigen, zodat hij op zijn hoede blijft overeenkomstig uw woord?”
Of: „uw woord verborgen.”
„Meer dan over alle andere rijkdom”, Sy.
In deze derde strofe begint elk vs. met de derde letter van het Hebr. alfabet, de gi′mel, die wordt uitgesproken als de „g” in het Franse garçon of het Duitse Garten.
In deze vierde strofe begint elk vs. met de vierde letter van het Hebr. alfabet, de da′leth, de Nederlandse „d”.
Of: „Breng mij tot leven.”
Of: „gij schenkt mijn hart vertrouwen (moed).”
In deze vijfde strofe begint elk vs. met de vijfde letter van het Hebr. alfabet, de heʼ, de Nederlandse „h”.
Of: „onrechtvaardige winst.”
In deze zesde strofe begint elk vs. met de zesde letter van het Hebr. alfabet, de waw, de Nederlandse „w”.
„Liefderijke goedheden”, TSy en veel Hebr. hss.; M: „liefderijke goedheid”, maar met een mv. ww.-vorm.
In deze zevende strofe begint elk vs. met de zevende letter van het Hebr. alfabet, de za′jin, de Nederlandse „z”.
In deze achtste strofe begint elk vs. met de achtste letter van het Hebr. alfabet, de chēth. De chēth wordt getranscribeerd als ch en heeft een sterke keelklank (zoals in „ach”).
Of: „loyale liefde.”
In deze negende strofe begint elk vs. met de negende letter van het Hebr. alfabet, de tēth, de Nederlandse „t”, met nadruk uitgesproken.
In deze tiende strofe begint elk vs. met de tiende letter van het Hebr. alfabet, de jōdh, de Nederlandse „j”.
„Zonder reden.” Lett.: „[met] bedrog (onwaarheid).”
Volgens MmargeTLXXSy en veel Hebr. hss.; M: „opdat zij uw vermaningen kennen.”
In deze 11de strofe begint elk vs. met de 11de letter van het Hebr. alfabet, de kaf, de Nederlandse harde „k”.
In deze 12de strofe begint elk vs. met de 12de letter van het Hebr. alfabet, de la′medh, de Nederlandse „l”.
„Gij zijt tot onbepaalde tijd, o Jehovah; en uw woord staat vast in de hemel”, Sy.
„Van geslacht tot geslacht.” Of: „tot in alle geslachten.” Hebr.: ledhor′ wa·dhor′.
In deze 13de strofe begint elk vs. met de 13de letter van het Hebr. alfabet, de mem, de Nederlandse „m”.
„Maakt uw gebod [enk.] mij”, volgens LXXVg en één Hebr. hs.; volgens M: „maken uw geboden [mv.] mij.”
„Woorden”, TLXXSyVg en vijf Hebr. hss.; M: „woord”, maar het ww. staat in het mv.
In deze 14de strofe begint elk vs. met de 14de letter van het Hebr. alfabet, de noen, de Nederlandse „n”.
„Voet”, M; LXXSyVg en één Hebr. hs.: „voeten.”
In deze 15de strofe begint elk vs. met de 15de letter van het Hebr. alfabet, de sa′mekh, de Nederlandse „s”.
In deze 16de strofe begint elk vs. met de 16de letter van het Hebr. alfabet, de ʽa′jin, een karakteristieke keelklank die wordt getranscribeerd als (ʽ).
Of: „rechterlijke beslissing.”
In deze 17de strofe begint elk vs. met de 17de letter van het Hebr. alfabet, de peʼ, de Nederlandse „p”.
Of: „[uw] gewoonte.”
„Mensheid.” Hebr.: ʼa·dham′.
In deze 18de strofe begint elk vs. met de 18de letter van het Hebr. alfabet, de tsa·dhē′, de Nederlandse ts-klank.
In deze 19de strofe begint elk vs. met de 19de letter van het Hebr. alfabet, de qōf, in het Nederlands getranscribeerd als „q” en uitgesproken als een harde „k”, die achter tegen het gehemelte wordt gevormd.
„Losbandig gedrag.” Hebr.: zim·mah′; Lat.: in·i·qui·ta′te. Zie Ga 5:19 vtn., „Gedrag”.
Volgens MT; LXXSyVg en door een geringe correctie van M: „Degenen die mij vervolgen, zijn tot losbandig gedrag genaderd.”
In deze 20ste strofe begint elk vs. met de 20ste letter van het Hebr. alfabet, de rēsj, de Nederlandse „r”.
Of: „De som.”
In deze 21ste strofe begint elk vs. met de 21ste letter van het Hebr. alfabet, de sin of sjin, de Nederlandse s- of sj-klank.
In deze 22ste strofe begint elk vs. met de 22ste en laatste letter van het Hebr. alfabet, de taw, de Nederlandse „t”.
Met uitzondering van vs. 90 en 122 bevat elk vs. van deze alfabetische psalm een of meer van de volgende tien uitdr.: WEG(EN), 13 keer (X); VERMANING(EN), 23X; BEVELEN, 21X; GEBOD(EN), 22X; TOEZEGGING, 9X; WET, 25X; RECHTERLIJKE BESLISSING(EN), OORDEEL of RECHT, 23X; RECHTVAARDIG(HEID), 15X; VOORSCHRIFTEN of INZETTINGEN, 22X en WOORD(EN), 34X. Ook komen in de meeste van de 22 strofen de acht voornaamste wettelijke termen uit Ps 19:7-14 voor, namelijk WET, VERMANING, BEVELEN, GEBOD, VREES, RECHTERLIJKE BESLISSINGEN, RECHTVAARDIG en WOORDEN.