Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 11:1-7

Aan de leider. Van Da̱vid. 11*  Tot Jehovah heb ik mijn toevlucht genomen.+ Hoe durft gijlieden tot mijn ziel te zeggen: „Vlucht als een vogel naar UW berg!+   Want ziet! de goddelozen zelf spannen de boog,+ Zij hebben hun pijl in gereedheid gebracht op de pees, Om in het donker te schieten op de oprechten van hart.+   Wanneer zelfs de fundamenten worden omvergehaald,+ Wat moet de rechtvaardige dan wel doen?”   Jehovah is in zijn heilige tempel.+ Jehovah — in de hemel is zijn troon.+ Zijn eigen ogen aanschouwen, zijn eigen stralende ogen* onderzoeken+ de mensenzonen.*   Jehovah zelf onderzoekt zowel de rechtvaardige als de goddeloze,+ En al wie geweld liefheeft, haat Zijn ziel stellig.+   Hij zal op de goddelozen doen regenen valstrikken, vuur en zwavel+ En een verzengende wind, als het deel van hun beker.+   Want Jehovah is rechtvaardig;+ hij heeft rechtvaardige daden werkelijk lief.+ De oprechten zijn het die zijn aangezicht zullen aanschouwen.+

Voetnoten

LXXVg voegen de twee voorgaande psalmen samen en tellen deze als Ps 10, zodat de nummering van de volgende psalmen anders loopt.
Of: „zijn wimpers (oogleden).”
Of: „zonen van de aardse mens [Hebr.: ʼa·dhamʹ].”