Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Psalm 106:1-48

106  Looft Jah!*+Dankt Jehovah, want hij is goed;+Want zijn liefderijke goedheid* duurt tot onbepaalde tijd.+   Wie kan de machtige daden van Jehovah onder woorden brengen,+[Of] kan al zijn lof doen horen?+   Gelukkig zijn zij die gerechtigheid in acht nemen,+Die te allen tijde rechtvaardigheid betrachten.*+   Gedenk mij, o Jehovah, met de goede wil jegens uw volk.+Zie naar mij om met uw redding,+   Opdat ik de goedheid jegens uw uitverkorenen moge zien,+Opdat ik mij moge verheugen met de verheuging van uw natie,+Opdat ik mij moge beroemen met uw erfdeel.+   Wij hebben gezondigd, evenzeer als onze voorvaders;+Wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld.+   Wat onze voorvaders in Egy̱pte betreft,Zij gaven geen blijk van enig inzicht in uw wonderwerken.+Zij dachten niet aan de overvloed van uw grootse liefderijke goedheid,+Maar zij gedroegen zich weerspannig bij de zee, aan de Rode Zee.+   En hij redde hen voorts ter wille van zijn naam,+Om zijn macht bekend te maken.+   Bijgevolg bestrafte hij de Rode Zee, en geleidelijk werd ze droog;+En hij deed hen vervolgens door de waterdiepte* gaan als door de wildernis;+ 10  En zo redde hij hen uit de hand van de hater+En eiste hen op uit de hand van de vijand.+ 11  En de wateren bedekten voorts hun tegenstanders;+Niet één van hen bleef er over.+ 12  Toen hadden zij geloof in zijn woord;+Zij gingen zijn lof zingen.+ 13  Al snel vergaten zij zijn werken;+Zij wachtten niet op zijn raad.+ 14  Maar zij gaven blijk van hun zelfzuchtige begeerte in de wildernis+En gingen God* op de proef stellen in de woestijn.+ 15  Voorts gaf hij hun wat zij verzochten+En zond een wegterende ziekte* in hun ziel.+ 16  En zij werden afgunstig op Mo̱zes in het kamp,+Zelfs op Aä̱ron, de heilige van Jehovah.+ 17  De aarde opende zich toen en verzwolg Da̱than+En bedekte de vergadering van Abi̱ram.+ 18  En een vuur ontbrandde onder hun vergadering;+Ja, een vlam verslond voorts de goddelozen.+ 19  Bovendien maakten zij een kalf in Ho̱reb+En bogen zich neer voor een gegoten beeld,+ 20  Zodat zij mijn heerlijkheid* verruilden+Voor een afbeelding van een stier, die plantengroei eet.+ 21  Zij vergaten God, hun Redder,*+Degene die grote dingen in Egy̱pte had gedaan,+ 22  Wonderwerken in het land van Cham,+Vrees inboezemende dingen bij de Rode Zee.+ 23  En hij stond op het punt te zeggen dat hij hen zou verdelgen,+Als Mo̱zes, zijn uitverkorene, er niet was geweest,Die zich voor zijn aangezicht op de bres stelde,+Om zijn woede af te wenden, zodat hij [hen] niet in het verderf stortte.+ 24  En zij gingen het begeerlijke land versmaden;+Zij hadden geen geloof in zijn woord.+ 25  En zij bleven morren in hun tenten;+Zij luisterden niet naar de stem van Jehovah.+ 26  Daarom hief hij voorts zijn hand op [in een eed] betreffende hen,+Dat hij hen zou doen vallen in de wildernis,+ 27  En dat hij hun nageslacht zou doen vallen onder de natiën,+En dat hij hen zou verstrooien over de landen.+ 28  En zij gingen zich verbinden aan Ba̱äl van Pe̱or+En de slachtoffers van de doden eten.+ 29  Daar zij [hem] krenkten door hun handelingen,+Brak er nu een gesel uit onder hen.+ 30  Toen Pi̱nehas opstond en tussenbeide kwam,+Werd de gesel voorts gestuit. 31  En het werd hem tot rechtvaardigheid gerekendVan geslacht op geslacht, tot onbepaalde tijd.+ 32  Voorts verwekten zij toorn bij de wateren van Me̱riba,+Zodat het Mo̱zes slecht verging vanwege hen.+ 33  Want zij verbitterden zijn geest*En hij ging onbezonnen spreken met zijn lippen.+ 34  Zij verdelgden de volken niet,+Zoals Jehovah hun had gezegd.+ 35  En zij gingen zich vermengen met de natiën+En leerden vervolgens hun werken.+ 36  En zij bleven hun afgoden dienen,*+En deze werden hun tot een strik.+ 37  En zij plachten hun zonenEn hun dochters aan demonen* te offeren.+ 38  Zo bleven zij onschuldig bloed vergieten,+Het bloed van hun zonen en hun dochters,Die zij offerden aan de afgoden van Ka̱naän;+En het land werd met bloedvergieting* bezoedeld.+ 39  En zij werden onrein door hun werken+En bleven immorele gemeenschap hebben door hun handelingen.+ 40  Toen ontbrandde de toorn van Jehovah tegen zijn volk,+En hij ging zijn erfdeel verfoeien.+ 41  En hij gaf hen herhaaldelijk in de hand van de natiën,+Opdat degenen die hen haatten, over hen zouden heersen,+ 42  En opdat hun vijanden hen zouden verdrukken,En opdat zij onderworpen zouden worden onder hun hand.+ 43  Vele malen placht hij hen te bevrijden,+Maar zij van hun kant bleven zich weerspannig gedragen in hun ongehoorzame gedrag,+En zij werden dan vernederd wegens hun dwaling.+ 44  En hij* zag dan de nood waarin zij verkeerden,+Wanneer hij hun smekende geroep hoorde.+ 45  En hij dacht dan met betrekking tot hen weer aan zijn verbond,+En hij gevoelde weer spijt naar de overvloed van zijn grootse liefderijke goedheid.+ 46  En hij vergunde hun dan, voorwerpen van medelijden te zijnVoor het aangezicht van allen die hen gevangen hielden.+ 47  Red ons, o Jehovah, onze God,+En breng ons bijeen uit de natiën+Om dank te brengen aan uw heilige naam,+Om met uitbundige vreugde tot uw lof te spreken.+ 48  Gezegend zij Jehovah, de God van I̱sraël,+Van onbepaalde tijd, ja, tot onbepaalde tijd;En heel het volk moet zeggen:* Amen.+Looft Jah!*+

Voetnoten

Zie 104:35 vtn.
Of: „loyale liefde.”
„Die . . . betrachten”, TLXXSyVg; M: „al wie . . . betracht.”
Of: „door de woelige wateren.” Hebr.: bat·teho·mōthʹ, mv. van tehōmʹ; LXXVg: „afgrond(en).” Zie Ge 1:2 vtn., „Waterdiepte”.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Of: „een vermagering.” Hebr.: ra·zōnʹ; T: „magerheid”; LXXVg: „(over)verzadiging; zatheid; walging.”
„Mijn heerlijkheid.” M: „hun heerlijkheid.” Een van de Achttien Emendaties van de soferim, die de lezing veranderden omdat de uitdr. „mijn heerlijkheid” als vernederend voor God werd beschouwd. LXXhss.Vg: „zijn heerlijkheid.” Zie App. 2B.
God, hun Redder.” Hebr.: ʼEl Mō·sji·ʽamʹ.
„Zijn geest.” Hebr.: roe·chōʹ; Gr.: pneuʹma; Lat.: spiʹri·tum.
Of: „En zij bleven . . . aanbidden (heilige dienst verrichten voor . . .).” Hebr.: wai·ja·ʽav·dhoeʹ.
„Aan demonen (boze geesten)”, M(Hebr.: lasj·sjeʹdhim)LXXVg.
Lett.: „bloed” in het mv.
„Hij”, MTSyVg; LXXA en één Hebr. hs.: „Jehovah.”
Lett.: „heeft gezegd.”
Zie 41:13 en 104:35 vtnn.