Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 102:1-28

Een gebed van de ellendige ingeval hij zwak wordt en voor Jehovah zijn bezorgdheid uitstort.+ 102  O Jehovah, hoor toch mijn gebed;+ En moge tot u mijn eigen hulpgeschreeuw komen.+   Verberg uw aangezicht niet voor mij op de dag dat ik erg in benauwdheid verkeer.+ Neig uw oor tot mij;+ Op de dag dat ik roep, haast u, antwoord mij.+   Want mijn dagen zijn ten einde gelopen net als rook,+ En mijn beenderen zelf zijn roodgloeiend gemaakt als een vuurhaard.+   Mijn hart is geslagen net als plantengroei en is verdord,+ Want ik heb vergeten mijn voedsel* te eten.+   Vanwege het geluid van mijn zuchten+ Hebben mijn beenderen aan mijn vlees gekleefd.+   Waarlijk, ik lijk wel de pelikaan van de wildernis.+ Ik ben geworden als een steenuil der ruïnes.   Ik ben uitgeteerd,* En ik ben geworden als een vogel die eenzaam op een dak zit.+   De gehele dag hebben mijn vijanden mij gesmaad.+ Zij die mij voor de gek houden, hebben zelfs bij mij gezworen.+   Want as heb ik gegeten net als brood;+ En al wat ik drink, heb ik zelfs met geween vermengd,+ 10  Vanwege uw openlijke veroordeling en uw verontwaardiging;+ Want gij hebt mij opgenomen, opdat gij mij zoudt kunnen wegwerpen.+ 11  Mijn dagen zijn als een neigende schaduw,*+ En ikzelf ben verdord als louter plantengroei.+ 12  Wat u betreft, o Jehovah, tot onbepaalde tijd zult gij blijven,+ En uw gedachtenis zal zijn van geslacht tot geslacht.+ 13  Gijzelf zult opstaan, gij zult Si̱on barmhartig zijn,+ Want het is het tijdperk om haar gunstig gezind te zijn, Want de bestemde tijd is gekomen.+ 14  Want uw knechten hebben een welgevallen gevonden in haar stenen,+ En op haar stof richten zij hun gunst.+ 15  En de natiën zullen de naam van Jehovah* vrezen,+ En alle koningen der aarde uw heerlijkheid.+ 16  Want Jehovah* zal Si̱on stellig opbouwen;+ Hij moet verschijnen in zijn heerlijkheid.+ 17  Hij zal zich stellig wenden tot het gebed van hen die berooid zijn,+ En hun gebed niet verachten.+ 18  Dit wordt opgeschreven voor het toekomstige geslacht;+ En het volk dat geschapen zal worden, zal Jah* loven.+ 19  Want hij heeft neergezien uit zijn heilige hoogte,+ Ja, uit de hemel heeft Jehovah* zelf naar de aarde gezien,+ 20  Om het gezucht van de gevangene te horen,+ Om de ten dode gedoemden* los te maken;+ 21  Opdat de naam van Jehovah* wordt bekendgemaakt* in Si̱on+ En zijn lof in Jeru̱zalem,+ 22  Wanneer de volken allemaal worden bijeengebracht,+ En de koninkrijken, om Jehovah te dienen.*+ 23  Onderweg heeft hij mijn kracht aangetast,+ Hij heeft mijn dagen verkort.+ 24  Ik zei toen: „O mijn God,* Neem mij niet weg op de helft van mijn dagen;+ Uw jaren duren alle geslachten door.*+ 25  Lang geleden hebt gij de grondvesten gelegd van de aarde,+ En de hemelen zijn het werk van uw handen.+ 26  Díé zullen vergaan, maar gíȷ́ zult standhouden;*+ En net als een kleed zullen ze alle verslijten.+ Net als kleding zult gij ze verwisselen, en ze zullen op hun beurt eindigen.+ 27  Maar gij zijt dezelfde,* en úw jaren zullen niet voltooid worden.+ 28  De zonen van uw knechten zullen gedurig verblijf houden;+ En voor uw aangezicht zal hun eigen nageslacht stevig bevestigd worden.”+

Voetnoten

Lett.: „brood.”
Mogelijk: „Ik ben wakker gebleven”, door een andere afleiding van het Hebr. ww.
„Mijn eigen dagen hebben zich net als een schaduw geneigd”, LXXSyVg en door een geringe correctie van M.
Zie App. 1C (8).
Zie App. 1C (8).
Zie 68:4 vtn.
Zie App. 1C (8).
Lett.: „de zonen des doods.”
Zie App. 1C (8).
Lett.: „om de naam van Jehovah bekend te maken.”
Of: „om Jehovah te aanbidden (heilige dienst voor Jehovah te verrichten).” Hebr.: la·ʽavodh′.
„O mijn God.” Hebr.: ʼE·li′.
Lett.: „in (door) geslacht der geslachten.”
Of: „blijven bestaan.” Vgl. Ex 9:16 vtn., „Laten bestaan”.
Lett.: „hij.”