Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Psalmen 101:1-8

Van Da̱vid. Een melodie. 101  Over liefderijke goedheid en recht wil ik zingen.+ Voor u, o Jehovah, wil ik melodieën spelen.+   Ik wil met doorzicht handelen op een onberispelijke wijze.+ Wanneer zult gij tot mij komen?+ Ik zal in de rechtschapenheid van mijn hart wandelen binnen mijn huis.+   Ik zal mij niets voor ogen stellen wat niet deugt.*+ Het doen der afvalligen heb ik gehaat;+ Het kleeft mij niet aan.+   Een verkeerd hart wijkt van mij;+ Niets slechts weet ik.+   Wie in het geheim zijn metgezel lastert,+ Hem leg ik het zwijgen op.+ Wie hoogmoedig van ogen en arrogant van hart* is,+ Hem kan ik niet verdragen.+   Mijn ogen zijn op de getrouwen der aarde [gericht],+ Opdat zij bij mij wonen.+ Wie op een onberispelijke wijze wandelt,+ Díé zal mij dienen.+   In mijn huis zal niemand wonen die bedrog pleegt.+ Wat een ieder betreft die leugens spreekt, hij zal niet stevig bevestigd worden+ Voor mijn ogen.+   Elke morgen* zal ik alle goddelozen der aarde tot zwijgen brengen,+ Om alle beoefenaars van wat schadelijk is, van Jehovah’s stad+ af te snijden.+

Voetnoten

„Niets . . . wat niet deugt.” Lett.: „geen belialsstuk (ding van waardeloosheid) . . . .”
Lett.: „hoog van ogen en wijd van hart.”
Lett.: „Voor de morgens.”