Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Prediker 4:1-16

4  En ik voor mij wendde mij om alle daden van onderdrukking+ te kunnen zien die onder de zon worden bedreven, en zie! de tranen der onderdrukten,+ maar zij hadden geen trooster;+ en aan de zijde van hun onderdrukkers was macht, zodat zij geen trooster hadden.  En ik prees de doden, die reeds gestorven waren, gelukkig boven de levenden, die nog in leven waren.+  Dus beter af dan die beiden [is] degene die nog niet tot bestaan is gekomen,+ die het rampspoedige werk dat onder de zon wordt gedaan, niet heeft gezien.+  En ikzelf heb al het harde werk en al de bedrevenheid in het werk gezien,+ dat het de wedijver betekent van de een* tegenover de ander;+ ook dit is ijdelheid en een najagen van de wind.  De verstandeloze vouwt zijn handen+ en eet zijn eigen vlees.+  Beter is een handvol rust dan twee handen vol hard werk en najagen van de wind.+  Ik voor mij wendde mij om de ijdelheid onder de zon te kunnen zien:  Er bestaat er één, maar geen tweede;+ ook heeft hij geen zoon of broeder,+ maar er is geen eind aan al zijn harde werk. Ook worden zijn ogen zelf niet verzadigd van rijkdom:+ „En voor wie werk ik hard en laat ik het mijn ziel ontbreken aan goede dingen?”+ Ook dit is ijdelheid, en het is een rampspoedige bezigheid.+  Twee zijn beter dan één,+ omdat zij een goede beloning hebben voor hun harde werk.+ 10  Want indien een van hen zou vallen, kan de ander zijn metgezel oprichten.+ Maar hoe zal het zijn met slechts de ene* die valt, wanneer er geen ander is om hem op te richten?+ 11  Indien er bovendien twee te zamen neerliggen, dan zullen zij stellig warm worden; maar hoe kan slechts één warm blijven?+ 12  En indien iemand één die alleen is zou kunnen overweldigen, zouden twee te zamen tegen hem kunnen standhouden.+ En een drievoudig snoer kan niet zo snel in tweeën getrokken worden. 13  Beter is een behoeftig maar wijs kind+ dan een oude maar verstandeloze koning,+ die niet genoeg te weten is gekomen om zich nog langer te laten waarschuwen.+ 14  Want hij is zowaar uit het gevangenhuis gekomen om koning te worden,+ alhoewel hij onder diens koningschap als een onbemiddeld persoon was geboren.+ 15  Ik heb alle levenden gezien die er onder de zon rondlopen, [hoe het gaat] met het kind, dat tweede is, dat opstaat in de plaats van de ander.+ 16  Er is geen eind aan al het volk, aan allen voor wier aangezicht hij* zich bevond;+ ook zullen de mensen later zich niet over hem verheugen,+ want ook dit is ijdelheid en een najagen van de wind.+

Voetnoten

„De een.” Hebr.: ʼisj.
Of: „Maar wee slechts de ene!”
Of: „zij” (mv.), d.w.z. „het volk”.