Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Prediker 12:1-14

12  Gedenk nu uw Grootse Schepper*+ in uw jongelingsdagen,*+ voordat de rampspoedige dagen gaan komen,+ of de jaren zijn aangebroken waarin gij zult zeggen: „Ik heb er geen behagen in”;+  voordat de zon en het licht en de maan en de sterren duister worden,+ en de wolken zijn teruggekeerd, daarna de stortregen;  op de dag dat de bewakers van het huis+ beven, en de mannen van vitale kracht zich hebben gekromd,+ en de maalsters*+ zijn opgehouden met werken omdat zij weinige zijn geworden, en de vrouwen die door de vensters zien*+ het duister hebben gevonden;  en de deuren naar de straat zijn gesloten,+ wanneer het geluid van de molen zwak wordt,+ en men opstaat op het geluid van een vogel, en alle dochters van het lied gedempt klinken.+  Ook zijn zij alleen al voor wat hoog is bevreesd geworden, en er zijn verschrikkingen op de weg. En de amandelboom draagt bloesems,+ en de sprinkhaan sleept zich voort, en de kapperbes springt open, omdat de mens* op weg is naar zijn huis dat van lange duur zal zijn+ en de weeklagers zijn rondgegaan op de straat;+  voordat het zilveren koord wordt verwijderd, en de gouden schaal wordt verbrijzeld,+ en de kruik bij de bron wordt gebroken, en het scheprad voor de regenput verbrijzeld is.  Dan keert het stof terug tot de aarde,+ net zoals het geweest is, en de geest+ zelf keert terug tot de [ware] God,+ die hem gegeven heeft.+  „De grootste ijdelheid!”,* zei de bijeenbrenger,*+ „Alles is ijdelheid.”+  En behalve dat de bijeenbrenger wijs was geworden,+ onderwees hij ook het volk voortdurend in kennis,+ en hij dacht diep na en stelde een grondig onderzoek in,+ om veel spreuken welgeordend samen te stellen.+ 10  De bijeenbrenger zocht de verrukkelijke woorden te vinden+ en het schrijven van juiste woorden van waarheid.+ 11  De woorden van de wijzen zijn als ossenprikkels,+ en net als ingeslagen* spijkers+ zijn zij die zich wijden aan verzamelingen* [van zinspreuken]; ze zijn gegeven door één herder.+ 12  Aangaande al wat hierbuiten ligt, mijn zoon, laat u waarschuwen: Aan het maken van veel boeken komt geen eind, en veel toewijding [eraan] is afmattend voor het vlees.+ 13  Het slot van de zaak, nu alles is gehoord, is: Vrees de [ware] God+ en onderhoud zijn geboden.+ Want dit is de gehele [verplichting] van de mens.* 14  Want de [ware] God zelf zal elk soort van werk in het gericht brengen met betrekking tot alles wat verborgen is, [om te zien] of het goed is of slecht.+

Voetnoten

„Uw Grootse Schepper.” Hebr.: Bō·reʼeiʹkha. Het deelwoord van het Hebr. ww. voor „scheppen” staat in het mv. ter aanduiding van verhevenheid of uitnemendheid.
Of: „in de dagen van uw jeugd.”
„De maalsters.” In het Hebr. een deelwoord in het vr. mv. omdat het doelt op tanden, eveneens vr., en omdat malen het werk van vrouwen was.
„De vrouwen die . . . zien”, in het Hebr. vr., doelend op de ogen, eveneens vr.
Lett.: „de aardse mens.” Hebr.: ha·ʼa·dhamʹ.
Lett.: „IJdelheid der ijdelheden!”, M(Hebr.: havelʹ hava·limʹ)LXXSyVg.
Zie 1:1 vtn.
Lett.: „geplante”, als het ware in een huis ingebouwd.
„Verzamelingen.” Hebr.: ʼasoep·pōthʹ (van ʼa·safʹ, „verzamelen”).
Of: „de mensheid.” Hebr.: ha·ʼa·dhamʹ.