Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Openbaring 7:1-17

7  Hierna zag ik aan de vier hoeken* van de aarde vier engelen+ staan, die de vier winden+ van de aarde stevig vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde of over de zee of over enige boom.+  En ik zag een andere engel opstijgen van de opgang der zon,+ die een zegel van [de] levende God had;+ en hij riep met een luide stem tot de vier engelen aan wie het gegeven was schade toe te brengen aan de aarde en de zee,  en hij zei: „Brengt geen schade toe aan* de aarde noch aan de zee noch aan de bomen tot nadat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofd verzegeld+ hebben.”+  En ik hoorde het aantal van hen die verzegeld werden,* honderd vierenveertig duizend,+ verzegeld uit elke stam+ van de zonen van I̱sraël:+  Uit de stam Ju̱da+ twaalfduizend verzegeld; uit de stam Ru̱ben+ twaalfduizend; uit de stam Gad*+ twaalfduizend;  uit de stam A̱ser+ twaalfduizend; uit de stam Na̱ftali+ twaalfduizend; uit de stam Mana̱sse+ twaalfduizend;  uit de stam Si̱meon*+ twaalfduizend; uit de stam Le̱vi+ twaalfduizend; uit de stam I̱ssaschar+ twaalfduizend;  uit de stam Ze̱bulon+ twaalfduizend; uit de stam Jo̱zef+ twaalfduizend; uit de stam Be̱njamin+ twaalfduizend verzegeld.+  Na deze dingen zag ik, en zie! een grote schare,+ die niemand tellen kon, uit alle natiën*+ en stammen en volken+ en talen,+ staande voor de troon+ en voor het Lam, gehuld in lange witte gewaden,+ en er waren palmtakken+ in hun handen. 10  En zij blijven met een luide stem roepen en zeggen: „Redding* [hebben wij te danken] aan onze God,+ die op de troon is gezeten,+ en aan het Lam.”+ 11  En alle engelen+ stonden rondom de troon en de oudere personen*+ en de vier levende schepselen,+ en zij vielen op hun aangezicht voor de troon en aanbaden God+ 12  en zeiden: „Amen! De zegen en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht+ en de sterkte [zij] onze God tot in alle eeuwigheid. Amen.”*+ 13  En een van de oudere personen+ nam het woord en zei tot mij: „Wie zijn dezen die in de lange witte gewaden gehuld zijn,+ en waar zijn zij vandaan gekomen?” 14  Daarop zei ik onmiddellijk tot hem: „Mijn heer, gíȷ́ weet het.” En hij zei tot mij: „Dezen zijn het die uit de grote verdrukking+ komen, en zij hebben hun lange gewaden gewassen en hebben ze wit gemaakt+ in het bloed+ van het Lam. 15  Daarom zijn zij voor+ de troon van God; en zij verrichten dag en nacht heilige dienst*+ voor hem in zijn tempel;* en Degene die op de troon is gezeten,+ zal zijn tent+ over hen uitspreiden. 16  Zij zullen geen honger of dorst meer lijden, ook zal de zon hen niet fel beschijnen noch enige verschroeiende hitte [hen treffen],+ 17  want het Lam,+ dat in het midden van de troon is, zal hen weiden+ en hen naar bronnen van wateren+ des levens leiden. En God zal elke traan uit hun ogen wegwissen.”+

Voetnoten

Of: „windstreken; uiteinden.”
Lett.: „Gij moogt [de aarde . . .] niet onrechtvaardig behandelen.”
Lett.: „het aantal der verzegelden.”
„Gad.” א laat het weg.
„Simeon.” א laat het weg.
Gr.: eʹthnous, „[elke] volksgroep”; Lat.: genʹti·bus, „heidenen (volken)”; J17,18(Hebr.): hag·gō·jimʹ, „de natiën (gojim)”.
Lett.: „De redding.” Gr.: He so·teʹri·a; Lat.: saʹlus; J17,18,22(Hebr.): ha·jesjoe·ʽahʹ.
Of: „oudsten.” Gr.: pre·sbuʹte·ron.
„Amen.” C laat het weg.
„Zij verrichten . . . heilige dienst.” Gr.: la·treu·ouʹsin; J22(Hebr.): weʽō·vedhimʹ, „en . . . dienen (aanbidden) zij [hem]”. Vgl. Ex 3:12 vtn.
Of: „goddelijke woonplaats (woning).” Gr.: naʹoi, datief, enk.; Lat.: temʹplo; J17,18,22(Hebr.): behē·kha·lōʹ, „in zijn paleis (tempel)”.