Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Openbaring 18:1-24

18  Na deze dingen zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen, met grote autoriteit;+ en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.+  En hij riep met een krachtige stem+ en zei: „Ze is gevallen! Ba̱bylon* de Grote is gevallen,+ en ze is een woonplaats geworden van demonen en een schuilplaats van elke onreine uitwaseming*+ en een schuilplaats van elke onreine en gehate vogel!+  Want wegens de wijn van de toorn van haar hoererij* zijn alle natiën [het slachtoffer] geworden,+ en de koningen der aarde hebben hoererij met haar bedreven,+ en de reizende kooplieden+ der aarde zijn rijk geworden ten gevolge van de kracht van haar schaamteloze weelde.”+  En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: „Gaat uit van haar, mijn volk,+ indien GIJ niet met haar in haar zonden wilt delen,+ en indien GIJ geen deel van haar plagen wilt ontvangen.  Want haar zonden hebben zich helemaal tot aan de hemel opgehoopt,+ en God heeft zich haar ongerechtigheden te binnen gebracht.+  Vergeldt haar gelijk zijzelf vergolden heeft,+ en doet haar tweemaal zoveel, ja, tweemaal het aantal dingen die zij gedaan heeft;+ doet in de beker+ waarin zij een mengsel heeft gedaan, tweemaal+ zoveel van het mengsel voor haar.+  In de mate dat ze zichzelf verheerlijkt en in schaamteloze weelde geleefd heeft, geeft haar in die mate pijniging en rouw.+ Want in haar hart blijft ze zeggen: ’Ik zit als koningin,+ en ik ben geen weduwe,+ en ik zal nooit rouw zien.’+  Daarom zullen op één dag haar plagen+ komen, dood en rouw en hongersnood, en ze zal geheel verbrand worden met vuur,+ want Jehovah* God, die haar heeft geoordeeld, is sterk.+  En de koningen+ der aarde die hoererij met haar hebben bedreven en in schaamteloze weelde hebben geleefd, zullen over haar wenen en zich in droefheid om haar slaan,+ wanneer zij naar de rook kijken+ die van haar verbranding afkomt, 10  terwijl zij uit vrees voor haar pijniging op een afstand staan en zeggen:+ ’Wat jammer, wat jammer, gij grote stad,+ Ba̱bylon, gij sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen!’+ 11  Ook de reizende kooplieden+ der aarde wenen en rouwen om haar,+ omdat er niemand meer is die hun overvloedige voorraad koopt, 12  een overvloedige voorraad+ van goud en zilver en edelgesteente en parels en fijn linnen en purper en zijde en scharlaken; en elk voorwerp van welriekend hout* en allerlei ivoren voorwerpen en allerlei voorwerpen van zeer kostbaar hout en van koper en van ijzer en van marmer;+ 13  ook kaneel en Indische specerij* en reukwerk en welriekende olie en geurige hars en wijn en olijfolie en meelbloem en tarwe en runderen en schapen en paarden en wagens en slaven* en menselijke zielen.*+ 14  Ja, de voortreffelijke vrucht die uw ziel begeerde,*+ is van u geweken, en alle kostelijke dingen en de schitterende dingen zijn voor u verloren gegaan, en nooit meer zal men ze vinden.+ 15  De reizende kooplieden+ in deze dingen, die rijk van haar zijn geworden, zullen uit vrees voor haar pijniging op een afstand staan en zullen wenen en rouwen+ 16  en zeggen: ’Wat jammer, wat jammer — de grote stad,+ bekleed met fijn linnen en purper en scharlaken, en rijk versierd met gouden sieraden en edelgesteente en parels,+ 17  want in één uur is zulk een grote rijkdom verwoest!’+ En iedere scheepskapitein en een ieder die ergens naar toe vaart,+ en zeelieden en allen die hun bestaan op zee vinden, stonden op een afstand+ 18  en riepen het uit toen zij naar de rook keken die van haar verbranding afkwam, en zij zeiden: ’Welke stad is aan de grote stad gelijk?’+ 19  En zij wierpen stof op hun hoofd+ en riepen, wenend en rouwend,+ en zeiden: ’Wat jammer, wat jammer — de grote stad, waarin allen die boten op zee hebben,+ rijk zijn geworden+ wegens haar kostbaarheden, want in één uur is ze verwoest!’+ 20  Wees vrolijk over haar, o hemel,+ ook GIJ heiligen+ en GIJ apostelen+ en GIJ profeten, want God heeft voor U de gerechtelijke straf van haar geëist!”+ 21  En een sterke engel hief een steen op gelijk een grote molensteen+ en slingerde hem in de zee+ en zei: „Zo zal Ba̱bylon, de grote stad, met een snelle worp worden neergeslingerd, en ze zal nooit meer gevonden worden.+ 22  En de klank van zangers die zichzelf op de harp begeleiden, en van muzikanten en van fluitspelers en van trompetters zal nooit meer in u worden gehoord,+ en geen handwerksman van enig ambacht* zal ooit nog in u worden gevonden, en geen geluid van een molensteen zal ooit nog in u worden gehoord, 23  en geen licht van een lamp zal ooit nog in u schijnen, en geen stem van een bruidegom en van een bruid zal ooit nog in u worden gehoord;+ omdat uw reizende kooplieden+ de hooggeplaatste personen+ der aarde waren, want door uw spiritistische+ praktijken* werden alle natiën misleid. 24  Ja, in haar werd het bloed+ gevonden van profeten+ en van heiligen+ en van allen die op de aarde geslacht zijn.”+

Voetnoten

Gr.: Baʹbu·lon; J17,18,22(Hebr.): Ba·velʹ.
Of: „geest.”
Of: „Want wegens de hartstocht opwekkende wijn van haar hoererij.” A laat „de wijn” weg: „Want wegens de toorn (hartstocht) van haar hoererij.”
„Jehovah”, J7,8,13,14,16-18,22-24,28; אcCSyh(Gr.): Kuʹri·os; AVg laten het weg. Zie App. 1D.
Of: „thujahout.”
Of: „amomum”, een Indische specerijplant.
Lett.: „lichamen.”
Of: „slaven, ja, mensenzielen.”
Lett.: „vrucht van de begeerte van uw ziel.”
„Van enig ambacht”, CVgSyh; אA laten het weg.
„Spiritistische praktijken.” Of: „toverij.” Lett.: „gebruik van drogerijen (drugs).” Gr.: far·maʹki·ai, datief, enk.