Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Numeri 4:1-49

4  Nu sprak Jehovah tot Mo̱zes en Aä̱ron, en zei:  „Het totale aantal der zonen van Ke̱hath+ zal worden opgenomen* uit het midden der zonen van Le̱vi, naar hun families in het huis van hun vaderen,  van dertig* jaar oud+ en daarboven tot vijftig jaar oud,+ allen die in de dienstgroep treden*+ om het werk in de tent der samenkomst te verrichten.  Dit is de dienst van de zonen van Ke̱hath in de tent der samenkomst.+ Het is iets allerheiligst:  En Aä̱ron en zijn zonen moeten naar binnen gaan wanneer het kamp wordt opgebroken, en zij moeten het gordijn+ dat dient tot afscherming naar beneden halen en de ark+ der getuigenis ermee bedekken.  En zij moeten er een dekkleed van robbenvellen+ overheen leggen en daarover een geheel blauw kleed uitspreiden en haar draagbomen+ insteken.  En over de tafel+ van het toonbrood zullen zij een blauw kleed uitspreiden, en zij moeten daarop de schotels+ en de bekers en de schalen+ en de kannen van het drankoffer zetten; en het bestendig brood+ dient erop te blijven liggen.  En zij moeten er een karmozijnen+ kleed over uitspreiden, en zij moeten haar met een dekkleed van robbenvellen+ bedekken en haar draagbomen+ insteken.  En zij moeten een blauw kleed nemen en de lampenstandaard+ van het licht ermee bedekken met zijn lampen+ en zijn snuiters+ en zijn vuurpotten+ en al zijn olievaten,+ waarmee zij geregeld de dienst ten opzichte daarvan verrichten. 10  En zij moeten hem en al zijn gerei in een dekkleed van robbenvellen+ doen en hem op een draagstel zetten. 11  En over het gouden altaar+ zullen zij een blauw kleed uitspreiden, en zij moeten het met een dekkleed van robbenvellen+ bedekken en zijn draagbomen+ insteken. 12  En zij moeten al het dienstgerei+ nemen waarmee zij geregeld de dienst in de heilige plaats verrichten, en zij moeten het in een blauw kleed doen en het met een dekkleed van robbenvellen+ bedekken en op een draagstel zetten. 13  En zij moeten de vettige as van het altaar+ wegruimen en er een roodpurpergeverfd wollen kleed over uitspreiden. 14  En zij moeten daarop al zijn gerei plaatsen waarmee zij geregeld de dienst daarbij verrichten, de vuurpotten, de vorken en de schoppen en de schalen, al het gerei van het altaar;+ en zij moeten daaroverheen een dekkleed van robbenvellen uitspreiden en zijn draagbomen+ insteken.* 15  En Aä̱ron en zijn zonen moeten bij het opbreken van het kamp gereed zijn met het bedekken van de heilige plaats+ en al het gerei+ van de heilige plaats, en daarna zullen de zonen van Ke̱hath binnenkomen om ze te dragen,+ maar zij mogen de heilige plaats niet aanraken,+ zodat zij zouden moeten sterven. Deze dingen zijn de vracht van de zonen van Ke̱hath in de tent der samenkomst.+ 16  En Elea̱zar, de zoon van Aä̱ron, de priester, heeft het toezicht+ over de olie+ voor het licht en het welriekend reukwerk+ en het bestendig graanoffer+ en de zalfolie,+ het toezicht over de gehele tabernakel en alles wat daarin is, namelijk de heilige plaats en haar gerei.” 17  En Jehovah sprak verder tot Mo̱zes en Aä̱ron, en zei: 18  „Laat de stam van de families der Kehathieten+ niet worden afgesneden uit het midden der levieten. 19  Maar doet dit voor hen, opdat zij werkelijk in leven blijven en niet sterven wanneer zij de allerheiligste dingen+ naderen. Aä̱ron en zijn zonen zullen naar binnen gaan, en zij moeten een ieder van hen zijn dienst en zijn vracht toewijzen. 20  En zij mogen niet naar binnen gaan om de heilige dingen zelfs maar een ogenblik* te zien en zo te moeten sterven.”+ 21  Toen sprak Jehovah tot Mo̱zes en zei: 22  „Het totale aantal der zonen van Ge̱rson+ zal worden opgenomen,* ja, van hen volgens het huis van hun vaderen, naar hun families. 23  Van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar zult gij hen inschrijven,+ allen die komen om zich in de dienstgroep te begeven ten einde dienst te verrichten in de tent der samenkomst. 24  Dit is de dienst van de families der Gersonieten met betrekking tot het dienen en met betrekking tot het dragen.+ 25  En zij moeten de tentkleden+ van de tabernakel en de tent der samenkomst+ dragen, het dekkleed+ daarvan en het dekkleed van robbenvellen+ dat daaroverheen ligt, en de afscherming+ voor de ingang van de tent der samenkomst, 26  en de draperieën+ van het voorhof en de afscherming+ aan de ingang van de poort van het voorhof, dat rond de tabernakel en het altaar is, en de daarbij behorende tentkoorden en al hun dienstgerei, en alle dingen waarmee* geregeld werk wordt verricht. Aldus moeten zij dienst doen. 27  Op bevel van Aä̱ron en zijn zonen+ dient de gehele dienst van de zonen der Gersonieten+ te geschieden met betrekking tot al hun vrachten en al hun dienst, en GIJ moet hun al hun vrachten als plicht* toewijzen. 28  Dit is de dienst van de families van de zonen der Gersonieten+ in de tent der samenkomst, en hun verplichte dienst is onder de hand van I̱thamar,+ de zoon van Aä̱ron, de priester. 29  Wat de zonen van Mera̱ri+ betreft, gij zult hen inschrijven volgens hun families in het huis van hun vaderen. 30  Van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar zult gij hen inschrijven, allen die zich in de dienstgroep begeven om de dienst met betrekking tot de tent der samenkomst te verrichten.+ 31  En dit is hun plicht, hun vracht,+ naar al hun dienst in de tent der samenkomst: de paneellijsten+ van de tabernakel en zijn stangen+ en zijn zuilen+ en zijn voetstukken met inzinking,+ 32  en de zuilen+ van het voorhof rondom en hun voetstukken met inzinking+ en hun tentpinnen+ en hun tentkoorden met geheel hun uitrusting en geheel hun dienst. En bij name zult GIJ de uitrustingsstukken die hun plicht vormen, als hun vracht toewijzen.+ 33  Dit is de dienst van de families van de zonen van Mera̱ri+ naar al hun dienst in de tent der samenkomst, onder de hand van I̱thamar, de zoon van Aä̱ron, de priester.”+ 34  En Mo̱zes en Aä̱ron en de oversten+ van de vergadering gingen ertoe over de zonen der Kehathieten+ in te schrijven volgens hun families en volgens het huis van hun vaderen, 35  van dertig+ jaar oud en daarboven tot vijftig jaar,+ allen die zich in de dienstgroep begaven voor de dienst in de tent der samenkomst.+ 36  En hun ingeschrevenen volgens hun families bedroegen tweeduizend zevenhonderd vijftig.+ 37  Dit zijn de ingeschrevenen+ van de families der Kehathieten, allen die dienst verrichtten in de tent der samenkomst, die Mo̱zes en Aä̱ron, op bevel van Jehovah door bemiddeling van Mo̱zes, hebben ingeschreven. 38  Wat de ingeschrevenen van de zonen van Ge̱rson+ betreft, volgens hun families en volgens het huis van hun vaderen, 39  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar, allen die zich in de dienstgroep begaven voor de dienst in de tent der samenkomst,+ 40  hun ingeschrevenen volgens hun families, volgens het huis van hun vaderen, bedroegen tweeduizend zeshonderd dertig.+ 41  Dit waren de ingeschrevenen van de families van de zonen van Ge̱rson, allen die dienst verrichtten in de tent der samenkomst, die Mo̱zes en Aä̱ron op bevel van Jehovah hebben ingeschreven.+ 42  Wat de ingeschrevenen van de families van de zonen van Mera̱ri betreft, volgens hun families, volgens het huis van hun vaderen, 43  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, allen die zich in de dienstgroep begaven voor de dienst in de tent der samenkomst,+ 44  hun ingeschrevenen volgens hun families, bedroegen drieduizend tweehonderd.+ 45  Dit waren de ingeschrevenen van de families van de zonen van Mera̱ri, die Mo̱zes en Aä̱ron, op bevel van Jehovah door bemiddeling van Mo̱zes, hebben ingeschreven.+ 46  Alle ingeschrevenen die Mo̱zes en Aä̱ron en de oversten van I̱sraël volgens hun families en volgens het huis van hun vaderen als levieten hebben ingeschreven, 47  van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud,+ allen die kwamen om de zware dienst te verrichten en de dienst bestaande in het dragen van vrachten in de tent der samenkomst,+ 48  hun ingeschrevenen bedroegen achtduizend vijfhonderd tachtig.+ 49  Op bevel van Jehovah werden zij door bemiddeling van Mo̱zes ingeschreven,* ieder naar zijn dienst en zijn vracht; en zij werden ingeschreven, juist zoals Jehovah Mo̱zes geboden had.+

Voetnoten

„Zal worden opgenomen.” In het Hebr. is dit een ww. in de infinitivus absolutus, een vorm waarbij tijd en persoon onbepaald zijn.
„Dertig”, MSamSyVg; LXX: „vijfentwintig.” Vgl. 8:24.
„Iedereen die toetreedt om openbare dienst te verrichten”, LXX.
SamLXX voegen toe: „En zij zullen een purperen kleed nemen en het bekken en zijn onderstel bedekken en ze in een blauw dekkleed van vellen doen en [ze] op draagbomen zetten.”
„Zelfs maar een ogenblik.” Lett.: „als het inslikken [van speeksel].” Zie Job 7:19 vtn.
Zie vs. 2 vtn.
„Waarmee”, LXX; MSam: „waarvoor; met betrekking waartoe.”
„Als plicht”, MSam; LXX: „bij name”, zoals in vs. 32.
Lett.: „Op de mond van Jehovah schreef hij hen . . . in”, MSam.