Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Numeri 35:1-34

35  En Jehovah ging voort tot Mo̱zes te spreken in de woestijnvlakten van Mo̱ab aan de Jorda̱a̱n+ bij Je̱richo, en zei:  „Geef de zonen van I̱sraël bevel dat zij van hun erfelijk bezit steden aan de levieten moeten geven,+ om daar te wonen, en zij dienen de levieten de weidegrond rondom die steden te geven.+  En de steden moeten voor hen dienen om er te wonen, terwijl hun weidegronden zullen dienen voor hun huisdieren en hun have en voor al hun wild gedierte.  En de weidegronden van de steden, die GIJ aan de levieten zult geven, zullen zich van de stadsmuur af naar buiten tot duizend* el in het rond uitstrekken.  En GIJ moet buiten de stad aan de oostzijde tweeduizend el meten en aan de zuidzijde tweeduizend el en aan de westzijde tweeduizend el en aan de noordzijde tweeduizend el, met de stad in het midden. Dit zal hun tot weidegronden bij de steden dienen.  Dit zijn de steden die GIJ aan de levieten zult geven: zes toevluchtssteden,+ die GIJ zult geven opdat de doodslager* daarheen kan vluchten,+ en daarenboven zult GIJ nog tweeënveertig andere steden geven.  Alle steden die GIJ aan de levieten zult geven, zullen achtenveertig steden zijn, deze te zamen met hun weidegronden.+  De steden die GIJ zult geven, zullen uit de bezitting der zonen van I̱sraël zijn.+ Van die er veel heeft, zult GIJ er veel nemen, en van die er weinig heeft, zult GIJ er weinig nemen.+ Een ieder zal naar gelang van zijn erfdeel dat hij in bezit zal nemen, enige van zijn steden aan de levieten geven.”  En Jehovah ging voort tot Mo̱zes te spreken en zei: 10  „Spreek tot de zonen van I̱sraël, en gij moet tot hen zeggen: ’GIJ trekt de Jorda̱a̱n over naar het land Ka̱naän.+ 11  En GIJ moet steden uitkiezen die geschikt voor U zijn. Tot toevluchtssteden zullen ze U dienen, en daarheen moet de doodslager vluchten die onopzettelijk een ziel doodslaat.+ 12  En de steden moeten U dienen tot een toevluchtsoord tegen de bloedwreker,*+ opdat de doodslager niet sterft eer hij voor de vergadering terechtstaat.+ 13  En de steden die GIJ zult geven, de zes toevluchtssteden, zullen U ten dienste staan. 14  Drie steden zult GIJ geven aan deze zijde van de Jorda̱a̱n,+ en drie steden zult GIJ geven in het land Ka̱naän.+ Tot toevluchtssteden zullen ze dienen. 15  Voor de zonen van I̱sraël en voor de inwonende vreemdeling+ en voor de bijwoner in hun midden zullen deze zes steden tot toevluchtsoord dienen, opdat een ieder die zonder opzet een ziel doodslaat, daarheen kan vluchten.+ 16  Indien hij hem nu met een ijzeren werktuig zo heeft geslagen dat hij sterft, is hij een moordenaar.+ De moordenaar dient zonder mankeren ter dood gebracht te worden.+ 17  En indien hij hem met een kleine steen,* waardoor hij zou kunnen sterven, zo heeft geslagen dat hij sterft, is hij een moordenaar. De moordenaar dient zonder mankeren ter dood gebracht te worden. 18  En indien* hij hem met een klein houten werktuig, waardoor hij zou kunnen sterven, zo heeft geslagen dat hij sterft, is hij een moordenaar. De moordenaar dient zonder mankeren ter dood gebracht te worden. 19  De bloedwreker+ is degene die de moordenaar ter dood zal brengen. Wanneer hij hem aantreft, zal hijzelf hem ter dood brengen. 20  En indien hij hem uit haat een stoot heeft toegebracht+ of hij naar hem geworpen heeft terwijl hij op de loer lag,*+ opdat hij zou sterven, 21  of hij hem uit vijandschap met zijn hand heeft geslagen, opdat hij zou sterven, dient degene die geslagen heeft, zonder mankeren ter dood gebracht te worden. Hij is een moordenaar. De bloedwreker zal de moordenaar ter dood brengen wanneer hij hem aantreft.+ 22  Maar indien hij hem onvoorziens, zonder vijandschap, een stoot heeft toegebracht, of enig voorwerp naar hem heeft geworpen zonder op de loer te liggen*+ 23  of enige steen waardoor hij zou kunnen sterven, zonder hem te zien, of hij er de oorzaak van zou zijn dat die op hem viel, zodat hij stierf, terwijl hij hem geen vijandschap toedroeg en niet zijn nadeel zocht, 24  dan moet de vergadering naar deze rechtsbeslissingen rechtspreken tussen degene die geslagen heeft en de bloedwreker.+ 25  En de vergadering+ moet de doodslager uit de hand van de bloedwreker bevrijden, en de vergadering moet hem naar zijn toevluchtsstad, waarheen hij gevlucht was, doen terugkeren, en hij moet daarin wonen tot aan de dood van de hogepriester, die met de heilige olie werd gezalfd.+ 26  Maar begeeft de doodslager zich werkelijk buiten de grens van zijn toevluchtsstad waarheen hij mocht vluchten, 27  en de bloedwreker+ vindt hem inderdaad buiten de grens van zijn toevluchtsstad, en de bloedwreker doodt de doodslager ook, dan heeft hij geen bloedschuld. 28  Want hij behoort tot aan de dood van de hogepriester in zijn toevluchtsstad te wonen,+ en na de dood van de hogepriester mag de doodslager naar het land van zijn bezitting terugkeren. 29  En deze [dingen] moeten U dienen tot een rechtsinzetting voor al UW geslachten in al UW woonplaatsen. 30  Al wie een ziel doodslaat, dient op de verklaring van getuigen+ als een moordenaar+ te worden gedood, en één getuige mag niet tegen een ziel getuigen om hem te doen sterven. 31  En GIJ moogt geen losprijs aannemen voor de ziel van een moordenaar, die verdient te sterven,+ want hij dient zonder mankeren ter dood gebracht te worden.+ 32  En GIJ moogt geen losprijs aannemen voor iemand die naar zijn toevluchtsstad gevlucht is, om hem vóór de dood van de hogepriester* weer in het land te laten wonen. 33  En GIJ moogt het land waarin GIJ zijt,* niet bezoedelen; want bloed, dát bezoedelt het land,+ en voor het land is geen verzoening mogelijk ten aanzien van het bloed dat daarop vergoten is dan door het bloed van hem die het vergoten heeft.+ 34  En gij moogt het land waarin GIJ woont, in welks midden ik verblijf houd, niet verontreinigen; want ik, Jehovah, houd verblijf te midden van de zonen van I̱sraël.’”+

Voetnoten

„Duizend”, MSamSyVg; LXX: „tweeduizend.”
Of: „moordenaar.”
„De bloedwreker”, TLXXSyIt; MSam: „de goël.”
Lett.: „een steen der hand.”
„En indien”, SamLXXSy en enkele Hebr. hss.; M: „Of.”
Of: „met boos opzet.”
Of: „zonder boos opzet.”
„De hogepriester”, SamLXXSy en één Hebr. hs.; M: „de priester”; Lat.: pon·tiʹfi·cis.
„Gij zijt”, M; SamLXXSyVg en vier Hebr. hss.: „gij woont.”