Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Numeri 11:1-35

11  Nu werd het volk als mensen die ten aanhoren van Jehovah over iets kwaads te klagen hebben.+ Toen het Jehovah ter ore kwam, ontstak hij in toorn, waarop er een vuur van Jehovah tegen hen ontbrandde en in het uiterste gedeelte van de legerplaats enigen verteerde.+  Toen het volk luid tot Mo̱zes ging roepen, zond hij smeekbeden tot Jehovah op,+ en het vuur doofde uit.  En men gaf die plaats voorts de naam* Tabeë̱ra,*+ omdat er een vuur van Jehovah tegen hen was ontbrand.  En de gemengde schare*+ die zich in hun midden bevond, gaf uiting aan een zelfzuchtig verlangen,+ en ook de zonen van I̱sraël gingen weer wenen en zeiden: „Wie zal ons vlees te eten geven?+  Wij herinneren ons nog goed de vis die wij in Egy̱pte altijd voor niets aten,+ de komkommers en de watermeloenen en de prei en de uien en het knoflook!  Maar nu is onze ziel uitgedroogd. Onze ogen zien niets anders dan het manna.”+  Terloops zij opgemerkt dat het manna+ op korianderzaad+ leek, en het zag eruit als* bdelliumhars.+  Het volk verspreidde zich en raapte het bijeen+ en maalde het in handmolens of stampte het fijn in een vijzel, en zij kookten het in kookpotten+ of maakten er ronde koeken van, en de smaak ervan bleek te zijn als de smaak van een zoete oliekoek.+  En wanneer ’s nachts de dauw op het kamp neerdaalde, daalde ook het manna erop neer.+ 10  Mo̱zes nu hoorde het volk in hun families wenen, iedere man bij de ingang van zijn tent. Toen ontbrandde Jehovah’s toorn hevig,+ en in de ogen van Mo̱zes was het slecht.+ 11  Voorts zei Mo̱zes tot Jehovah: „Waarom hebt gij uw knecht* kwaad berokkend, en waarom heb ik geen gunst in uw ogen gevonden, dat gij de vracht van heel dit volk op mij legt?+ 12  Ben ík van heel dit volk zwanger geworden? Heb ík hen gebaard, zodat gij tot mij dient te zeggen: ’Draag hen aan uw boezem,+ net zoals de verzorger de zuigeling draagt’,+ naar de bodem die gij hun voorvaders onder ede beloofd hebt?+ 13  Waar haal ik vlees vandaan om aan heel dat volk te geven? Want zij blijven tegen mij wenen en zeggen: ’Geef ons toch vlees, en laat ons eten!’ 14  Ik, althans ik alleen, kan heel dat volk niet dragen, want zij zijn mij te zwaar.+ 15  Indien gij dus zo met mij doet, dood mij* dan alstublieft geheel en al,+ indien ik gunst gevonden heb in uw ogen, en laat mij mijn rampspoed* niet aanzien.” 16  Hierop zei Jehovah tot Mo̱zes: „Vergader mij zeventig mannen uit de oudere mannen van I̱sraël,+ van wie gij inderdaad weet dat zij oudere mannen en beambten van het volk zijn,+ en gij moet hen naar de tent der samenkomst brengen, en zij moeten zich daar met u opstellen. 17  En ik zal moeten afdalen+ en daar met u moeten spreken;+ en ik zal wat van de geest+ die op u is, moeten wegnemen en die op hen moeten leggen, en zij zullen u bij het dragen van de vracht van het volk moeten helpen, opdat gij die niet alléén hoeft te dragen.+ 18  En tot het volk dient gij te zeggen: ’Heiligt U voor morgen,+ daar GIJ stellig vlees zult eten, omdat GIJ ten aanhoren van Jehovah hebt geweend+ en hebt gezegd: „Wie zal ons vlees te eten geven, want in Egy̱pte hadden wij het goed?”+ En Jehovah zal U stellig vlees geven, en GIJ zult inderdaad eten.+ 19  GIJ zult niet één dag eten, noch twee dagen, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen, 20  maar tot het aantal dagen van een maand toe, totdat het UW neusgaten uitkomt en het U tot een gruwel is geworden,+ eenvoudig omdat GIJ Jehovah hebt verworpen, die in UW midden is, en GIJ voor zijn aangezicht zijt gaan wenen en hebt gezegd: „Waarom zijn wij eigenlijk uit Egy̱pte getrokken?”’”+ 21  Toen zei Mo̱zes: „Het volk in welks midden ik ben, is zeshonderdduizend man+ te voet, en toch hebt gij, ja gij, gezegd: ’Vlees zal ik hun geven, en zij zullen stellig zoveel dagen eten als een maand lang is’! 22  Zullen er zoveel schapen en runderen voor hen worden geslacht dat het voor hen toereikend is?+ Of zullen alle vissen van de zee voor hen gevangen worden, dat het voor hen toereikend is?” 23  Hierop zei Jehovah tot Mo̱zes: „Is de hand van Jehovah soms verkort?+ Nu zult gij zien of hetgeen ik zeg, u al dan niet overkomt.”+ 24  Daarna ging Mo̱zes naar buiten en sprak de woorden van Jehovah tot het volk. Vervolgens vergaderde hij zeventig mannen uit de oudere mannen van het volk en liet hen rondom de tent staan.+ 25  Toen daalde Jehovah neer in een wolk+ en sprak tot hem+ en nam wat van de geest+ die op hem was weg en legde die op elk van de zeventig oudere mannen.* Nu geschiedde het dat zodra de geest op hen kwam te rusten, zij als profeten gingen optreden; maar zij deden het niet weer.*+ 26  Nu waren er twee van de mannen in de legerplaats achtergebleven. De naam van de een was E̱ldad, en de naam van de ander was Me̱dad. En de geest kwam op hen te rusten, daar zij tot de opgeschrevenen behoorden, maar zij waren niet uitgegaan naar de tent. Zij gingen derhalve als profeten optreden in de legerplaats. 27  Toen snelde een jonge man heen en bracht Mo̱zes bericht en zei: „E̱ldad en Me̱dad treden als profeten op in de legerplaats!” 28  Waarop Jo̱zua,* de zoon van Nun, de dienaar+ van Mo̱zes van zijn jongelingsjaren af, antwoordde en zei: „Mijn heer Mo̱zes, belet het hun!”+ 29  Maar Mo̱zes zei tot hem: „Zijt gij soms jaloers om mij? Neen, ik wenste wel* dat allen van Jehovah’s volk profeten waren, want Jehovah zou zijn geest* op hen leggen!”+ 30  Later trok Mo̱zes zich in de legerplaats terug, hij en de oudere mannen van I̱sraël. 31  Toen stak er een wind*+ op, door Jehovah gezonden, en voerde kwartels aan van de zee+ en liet ze boven de legerplaats vallen, ongeveer een dagreis ver naar de ene kant en ongeveer een dagreis ver naar de andere kant, rondom de legerplaats, en ongeveer twee el boven de oppervlakte van de aarde.* 32  Vervolgens stond het volk op en bleef heel die dag en heel de nacht en de gehele volgende dag de kwartels verzamelen. Die het minst bijeenbracht, verzamelde tien homer,*+ en zij bleven ze ten behoeve van zichzelf wijd uitspreiden,* rondom de legerplaats. 33  Het vlees was nog tussen hun tanden,+ voordat het gekauwd kon worden, toen Jehovah’s toorn tegen het volk ontbrandde,+ waarop Jehovah een zeer grote slachting onder het volk aanrichtte.+ 34  Die plaats kreeg toen de naam Ki̱broth-Hatta̱äva,*+ omdat men daar het volk begroef dat van een sterke, zelfzuchtige begeerte blijk had gegeven.+ 35  Van Ki̱broth-Hatta̱äva vertrok het volk naar Ha̱zeroth, en zij bleven te Ha̱zeroth.+

Voetnoten

Lett.: „En hij noemde voorts de naam van die plaats.”
Bet.: „Verbranding; Vertering; Brand.”
Of: „het samenraapsel [van mensen]; het gepeupel; het gespuis.”
Of: „de kleur was als die van.”
Of: „slaaf.”
„Dood mij.” Lett.: „om mij te doden.” In het Hebr. staat dit ww. in de infinitivus constructus, maar sommigen vatten het op als een imperatief.
„Mijn rampspoed”, volgens de gecorrigeerde lezing van de soferim, in plaats van „uw rampspoed”. Een van de Achttien Emendaties van de soferim. Zie App. 2B.
„De . . . oudere mannen (oudsten).” Hebr.: haz·zeqe·nimʹ; Gr.: pre·sbuʹte·rous. Zie Han 15:2 vtn.
„Maar zij deden het niet weer”, MLXXSy; door een afwijkende vocalisatie van het Hebr. ww. in overeenstemming met TJ,OVg: „en niet ophielden.”
„Jozua.” Hebr.: Jehō·sjoeʹaʽ, „Jehosua”. Zie Ex 17:9 vtn.
Lett.: „En wie geve?”
„Zijn geest.” Hebr.: roe·chōʹ; Gr.: pneuʹma; Lat.: spiʹri·tum.
„Toen . . . een wind.” Hebr.: weroeʹach; Gr.: pneuʹma; Lat.: venʹtus. Zie vs. 29 vtn., „Geest”; Ge 8:1 vtn.
„Rondom de legerplaats, ongeveer twee el vanaf de aarde”, LXX; Vg: „rondom de legerplaats, en ze vlogen in de lucht op een hoogte van twee el boven de aarde.” Een el was gelijk aan 44,5 cm.
Een homer was gelijk aan 220 l.
„Zij hadden zich ovens verhit”, LXXThomson; Vg: „zij droogden ze.”
Bet.: „Grafsteden van de sterke begeerte.”