Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004) 

Nehemia 7:1-73

7  Nu gebeurde het dat zodra de muur was herbouwd,+ ik terstond de deuren inzette.+ Toen werden de poortwachters+ en de zangers+ en de levieten+ aangesteld.  Vervolgens droeg ik het bevel over Jeru̱zalem op aan mijn broeder Hana̱ni+ en aan Hana̱nja, de vorst van de Burcht,+ want hij was zo’n betrouwbaar+ man* en vreesde+ de [ware] God meer dan vele anderen.  Ik* zei dan tot hen: „De poorten+ van Jeru̱zalem dienen niet geopend te worden voordat de zon heet wordt; en terwijl zij erbij staan, dient men de deuren te sluiten en [ze] te grendelen.+ En stel* wachten op uit de inwoners van Jeru̱zalem, ieder op zijn eigen wachtpost en ieder tegenover zijn eigen huis.”+  De stad nu was uitgestrekt* en groot, en er was weinig volk in,+ en er waren geen huizen gebouwd.  Maar mijn God gaf [het] mij in het hart+ dat ik de edelen en de regenten en het volk zou bijeenbrengen om zich in de geslachtsregisters te laten inschrijven.+ Toen vond ik het boek van het geslachtsregister+ van degenen die het eerst waren opgetrokken, en vond daarin geschreven:  Dit zijn de zonen van het rechtsgebied*+ die optrokken uit de gevangenschap+ van de ballingen die Nebukadne̱zar,+ de koning van Ba̱bylon,* in ballingschap had weggevoerd+ en die later naar Jeru̱zalem en naar Ju̱da terugkeerden, ieder naar zijn eigen stad;+  zij die meekwamen met Zerubba̱bel,+ Je̱sua,*+ Nehemi̱a, Aza̱rja,* Raä̱mja,* Naha̱mani, Mo̱rdechai,+ Bi̱lsan, Mispe̱reth,* Bi̱gvai, Ne̱hum,* Ba̱äna. Het aantal van de mannen van het volk I̱sraël:  De zonen van Pa̱ros:+ tweeduizend honderd tweeënzeventig;  de zonen van Sefa̱tja:+ driehonderd tweeënzeventig; 10  de zonen van A̱rah:+ zeshonderd tweeënvijftig; 11  de zonen van Pa̱hath-Mo̱ab,+ van de zonen van Je̱sua en Jo̱ab:+ tweeduizend achthonderd achttien; 12  de zonen van E̱lam:+ duizend tweehonderd vierenvijftig; 13  de zonen van Za̱ttu:+ achthonderd vijfenveertig; 14  de zonen van Za̱kkai:+ zevenhonderd zestig; 15  de zonen van Bi̱nnuï:+ zeshonderd achtenveertig; 16  de zonen van Be̱bai:+ zeshonderd achtentwintig; 17  de zonen van A̱zgad:+ tweeduizend driehonderd tweeëntwintig; 18  de zonen van Ado̱nikam:+ zeshonderd zevenenzestig; 19  de zonen van Bi̱gvai:+ tweeduizend zevenenzestig; 20  de zonen van A̱din:+ zeshonderd vijfenvijftig; 21  de zonen van A̱ter,+ van Hizki̱a: achtennegentig; 22  de zonen van Ha̱sum:+ driehonderd achtentwintig; 23  de zonen van Be̱zai:+ driehonderd vierentwintig; 24  de zonen van Ha̱rif:+ honderd twaalf; 25  de zonen van Gi̱beon:+ vijfennegentig; 26  de mannen van Be̱thlehem+ en Neto̱fa:+ honderd achtentachtig; 27  de mannen van A̱nathoth:+ honderd achtentwintig; 28  de mannen van Beth-Azma̱veth:+ tweeënveertig; 29  de mannen van Ki̱rjath-Jea̱rim,+ Kefi̱ra+ en Beë̱roth:+ zevenhonderd drieënveertig; 30  de mannen van Ra̱ma+ en Ge̱ba:+ zeshonderd eenentwintig; 31  de mannen van Mi̱chmas:+ honderd tweeëntwintig; 32  de mannen van Be̱thel+ en Ai:+ honderd drieëntwintig; 33  de mannen van het andere Ne̱bo:+ tweeënvijftig; 34  de zonen van de andere E̱lam:+ duizend tweehonderd vierenvijftig; 35  de zonen van Ha̱rim:+ driehonderd twintig; 36  de zonen van Je̱richo:+ driehonderd vijfenveertig; 37  de zonen van Lod,+ Ha̱did+ en O̱no:+ zevenhonderd eenentwintig; 38  de zonen van Sena̱ä:+ drieduizend negenhonderd dertig. 39  De priesters: De zonen van Jeda̱ja,+ van het huis van Je̱sua: negenhonderd drieënzeventig; 40  de zonen van I̱mmer:+ duizend tweeënvijftig; 41  de zonen van Pa̱shur:+ duizend tweehonderd zevenenveertig; 42  de zonen van Ha̱rim:+ duizend zeventien. 43  De levieten: De zonen van Je̱sua, van Ka̱dmiël,+ van de zonen van Hode̱va:+ vierenzeventig. 44  De zangers,+ de zonen van A̱saf:+ honderd achtenveertig. 45  De poortwachters,+ de zonen van Sa̱llum,+ de zonen van A̱ter, de zonen van Ta̱lmon,+ de zonen van A̱kkub,+ de zonen van Hati̱ta, de zonen van So̱bai:+ honderd achtendertig. 46  De Ne̱thinim:*+ De zonen van Zi̱ha, de zonen van Hasu̱fa, de zonen van Ta̱bbaoth,+ 47  de zonen van Ke̱ros, de zonen van Si̱a,* de zonen van Pa̱don,+ 48  de zonen van Leba̱na, de zonen van Haga̱ba,+ de zonen van Sa̱lmai, 49  de zonen van Ha̱nan,+ de zonen van Gi̱ddel, de zonen van Ga̱har, 50  de zonen van Rea̱ja,+ de zonen van Re̱zin,+ de zonen van Neko̱da, 51  de zonen van Ga̱zzam, de zonen van U̱zza, de zonen van Pase̱ah, 52  de zonen van Be̱sai,+ de zonen van Me̱ünim, de zonen van Nefu̱sesim,*+ 53  de zonen van Ba̱kbuk, de zonen van Haku̱fa, de zonen van Ha̱rhur,+ 54  de zonen van Ba̱zlith,* de zonen van Mehi̱da, de zonen van Ha̱rsa,+ 55  de zonen van Ba̱rkos, de zonen van Si̱sera, de zonen van Te̱mah,+ 56  de zonen van Nezi̱ah, de zonen van Hati̱fa.+ 57  De zonen van de knechten van Sa̱lomo:+ De zonen van So̱tai, de zonen van Sofe̱reth, de zonen van Peri̱da,*+ 58  de zonen van Jaä̱la, de zonen van Da̱rkon, de zonen van Gi̱ddel,+ 59  de zonen van Sefa̱tja, de zonen van Ha̱ttil, de zonen van Poche̱ret-Hazze̱baïm, de zonen van A̱mon.*+ 60  Al de Ne̱thinim+ en de zonen van de knechten van Sa̱lomo waren driehonderd tweeënnegentig [in getal]. 61  En dit waren degenen die optrokken uit Tel-Me̱lah, Tel-Ha̱rsa, Ke̱rub, A̱ddon en I̱mmer,+ en zij waren niet in staat het huis van hun vaderen en hun afstamming,* of zij uit I̱sraël waren, aan te geven: 62  de zonen van Dela̱ja, de zonen van Tobi̱a, de zonen van Neko̱da,+ zeshonderd tweeënveertig [in getal]. 63  En van de priesters:+ de zonen van Haba̱ja, de zonen van Ha̱kkoz,+ de zonen van Barzi̱llai,+ die een vrouw uit de dochters van de Gileadiet Barzi̱llai+ had genomen en voorts naar hun naam werd genoemd. 64  Dezen waren het die naar hun register zochten, om hun afstamming in het openbaar te laten vaststellen, en het werd niet gevonden,+ zodat zij als onrein van het priesterschap werden uitgesloten.+ 65  Dientengevolge zei de Tirsja̱tha*+ hun dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten,+ totdat de priester met Urim+ en Tummim+ zou optreden. 66  De gehele gemeente als één groep was tweeënveertigduizend driehonderd zestig [in getal],+ 67  afgezien van hun slaven+ en hun slavinnen, van wie er zevenduizend driehonderd zevenendertig waren;+ en zij hadden tweehonderd vijfenveertig* zangers+ en zangeressen.+ [ 68  Hun paarden: zevenhonderd zesendertig; hun muildieren: tweehonderd vijfenveertig.*+] 69  De kamelen: vierhonderd vijfendertig. De ezels:+ zesduizend zevenhonderd twintig.+ 70  En er was een deel van de hoofden+ van de vaderlijke+ huizen dat gaf voor het werk.+ De Tirsja̱tha+ zelf gaf voor de schat duizend gouden drachmen,* vijftig schalen, vijfhonderd dertig lange priestergewaden.+ 71  En er waren sommigen van de hoofden van de vaderlijke huizen die voor de schat [bestemd] voor het werk, twintigduizend gouden drachmen en tweeduizend tweehonderd zilveren minen* gaven.+ 72  En wat de rest van het volk gaf, was twintigduizend gouden drachmen en tweeduizend zilveren minen en zevenenzestig lange priestergewaden. 73  En de priesters+ en de levieten en de poortwachters en de zangers+ en sommigen van het volk en de Ne̱thinim+ en heel I̱sraël gingen in hun steden wonen.+ Toen nu de zevende maand aanbrak,+ waren de zonen van I̱sraël in hun steden.+

Voetnoten

Of: „een man van waarheid.”
„Ik”, MmargeLXXSyVg; M: „hij.” Vgl. 5:9 vtn.
„Stel”, MLXX; Vg en één Hebr. hs.: „ik stelde.”
Lett.: „wijd naar (aan) beide zijden”, d.w.z. ruim, uitgestrekt.
„Rechtsgebied.” Lat.: pro·vinʹci·ae.
„Babylon”, LXXVg; MSy: „Babel.”
„Jezus”, LXX.
„Seraja” in Ezr 2:2.
„Reëlaja” in Ezr 2:2.
„Mispar” in Ezr 2:2.
„Rehum” in Ezr 2:2.
Of: „De tempelslaven.” Lett.: „De gegevenen.” Vgl. Nu 3:9 vtn.
„Siaha” in Ezr 2:44.
„Nefusim” in Ezr 2:50.
„Bazluth” in Ezr 2:52.
„Peruda” in Ezr 2:55.
„Ami” in Ezr 2:57.
Lett.: „zaad.”
De Perzische titel voor een stadhouder van een rechtsgebied.
„Tweehonderd” in Ezr 2:65.
LXXVgc en enkele Hebr. hss. voegen, in overeenstemming met Ezr 2:66, het gedeelte tussen haken toe.
Een drachme werd over het algemeen gelijkgesteld met de Perzische gouden dariek, die 8,4 g woog. Niet de drachme uit de Griekse Geschriften. Zie App. 8A.
Een mine woog 570 g. Niet de mine uit de Griekse Geschriften.