Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Nehemia 11:1-36

11  De vorsten+ van het volk nu woonden in Jeru̱zalem;+ maar wat de rest van het volk betreft, zij wierpen het lot+ om er één op elke tien naar toe te brengen ten einde in Jeru̱zalem, de heilige stad,+ te wonen, en de negen andere delen in de andere steden.  Bovendien zegende+ het volk al de mannen die zich vrijwillig aanboden+ om in Jeru̱zalem te wonen.  En dit zijn de hoofden van het rechtsgebied+ die in Jeru̱zalem woonden;+ maar in de steden van Ju̱da woonden, ieder op zijn eigen bezit, in hun steden:+ I̱sraël,+ de priesters+ en de levieten,+ en de Ne̱thinim*+ en de zonen van de knechten van Sa̱lomo.+  Ook woonden in Jeru̱zalem sommigen van de zonen van Ju̱da en sommigen van de zonen van Be̱njamin.+ Van de zonen van Ju̱da waren er: Atha̱ja, de zoon van Uzzi̱a, de zoon van Zachari̱a, de zoon van Ama̱rja, de zoon van Sefa̱tja, de zoon van Maha̱lalel, van de zonen van Pe̱rez;+  en Maäse̱ja, de zoon van Ba̱ruch, de zoon van Ko̱lhozé, de zoon van Haza̱ja, de zoon van Ada̱ja, de zoon van Jo̱jarib, de zoon van Zachari̱a, de zoon van de Selaniet.*  Al de zonen van Pe̱rez die in Jeru̱zalem woonden, waren vierhonderd achtenzestig bekwame mannen.  En dit waren de zonen van Be̱njamin:+ Sa̱llu, de zoon van Mesu̱llam,+ de zoon van Jo̱ëd, de zoon van Peda̱ja, de zoon van Kola̱ja, de zoon van Maäse̱ja, de zoon van I̱thiël, de zoon van Jesa̱ja;  en na hem* Ga̱bbai [en] Sa̱llai,* negenhonderd achtentwintig;  en Jo̱ël, de zoon van Zi̱chri, een opziener* over hen, en Ju̱da, de zoon van Hassenu̱a, als tweede over de stad. 10  Van de priesters: Jeda̱ja, de zoon van Jo̱jarib,+ Ja̱chin,+ 11  Sera̱ja, de zoon van Hilki̱a, de zoon van Mesu̱llam,+ de zoon van Za̱dok,+ de zoon van Me̱rajoth, de zoon van Ahi̱tub,+ een leider van het huis van de [ware] God; 12  en hun broeders, die het werk in het huis verrichtten,+ achthonderd tweeëntwintig; en Ada̱ja, de zoon van Jero̱ham,+ de zoon van Pela̱lja, de zoon van A̱mzi, de zoon van Zachari̱a, de zoon van Pa̱shur,+ de zoon van Malki̱a,+ 13  en zijn broeders, hoofden van vaderlijke huizen,+ tweehonderd tweeënveertig, en Ama̱ssai, de zoon van Aza̱reël, de zoon van A̱hzai, de zoon van Mesille̱moth, de zoon van I̱mmer, 14  en hun broeders, dappere, sterke mannen,+ honderd achtentwintig, en er was een opziener+ over hen, Za̱bdiël, de zoon van de groten. 15  En van de levieten:+ Sema̱ja, de zoon van Ha̱ssub, de zoon van Azri̱kam, de zoon van Hasa̱bja,+ de zoon van Bu̱nni, 16  en Sa̱bbethai+ en Jo̱zabad,+ van de hoofden van de levieten, [gesteld] over de aangelegenheden buiten het huis van de [ware] God; 17  en Matta̱nja+ zelf, de zoon van Mi̱cha, de zoon van Za̱bdi, de zoon van A̱saf,+ de leider* van het lof[gezang],+ hief de lofprijzing aan bij het gebed,+ en Bakbu̱kja was de tweede onder zijn broeders, en A̱bda, de zoon van Sammu̱a, de zoon van Ga̱lal,+ de zoon van Jedu̱thun.+ 18  Al de levieten in de heilige stad+ waren tweehonderd vierentachtig [in getal]. 19  En de poortwachters+ waren A̱kkub, Ta̱lmon+ en hun broeders, die de wacht hielden in de poorten:+ honderd tweeënzeventig. 20  En de overigen van I̱sraël, van de priesters [en] van de levieten, waren in alle andere steden van Ju̱da, ieder in zijn eigen erfelijk bezit.+ 21  En de Ne̱thinim+ woonden op de O̱fel;+ en Zi̱ha en Gi̱spa waren over de Ne̱thinim [gesteld]. 22  En de opziener+ van de levieten in Jeru̱zalem was U̱zzi, de zoon van Ba̱ni, de zoon van Hasa̱bja, de zoon van Matta̱nja,+ de zoon van Mi̱cha,+ van de zonen van A̱saf,+ de zangers,+ met betrekking tot het werk in het huis van de [ware] God. 23  Want er was een gebod van de koning ten behoeve van hen,+ en er was een vaste voorziening voor de zangers naar de eis van elke dag.+ 24  En Petha̱hja, de zoon van Meseza̱beël, van de zonen van Ze̱ra, de zoon van Ju̱da, stond de koning terzijde voor elke zaak van het volk. 25  En wat de nederzettingen+ op hun velden betreft, er woonden sommigen van de zonen van Ju̱da in Ki̱rjath-A̱rba+ en zijn onderhorige plaatsen* en in Di̱bon* en zijn onderhorige plaatsen en in Jeka̱bzeël+ en zijn nederzettingen, 26  en in Je̱sua* en in Mo̱lada+ en in Beth-Pe̱let+ 27  en in Ha̱zar-Su̱al+ en in Berse̱ba+ en zijn onderhorige plaatsen 28  en in Zi̱klag+ en in Mecho̱na en zijn onderhorige plaatsen 29  en in En-Ri̱mmon+ en in Zo̱ra+ en in Ja̱rmuth,+ 30  Zano̱ah,+ Adu̱llam+ en hun nederzettingen, La̱chis+ en zijn velden, Aze̱ka+ en zijn onderhorige plaatsen. Zij dan legerden zich van Berse̱ba helemaal tot aan het dal van Hi̱nnom.*+ 31  En de zonen van Be̱njamin waren van Ge̱ba+ af [in] Mi̱chmas+ en A̱ja+ en Be̱thel+ en zijn onderhorige plaatsen, 32  A̱nathoth,+ Nob,+ Ana̱nja, 33  Ha̱zor, Ra̱ma,+ Gitta̱ïm,+ 34  Ha̱did, Ze̱boïm, Neba̱llat, 35  Lod+ en O̱no,+ het dal van de handwerkslieden. 36  En van de levieten waren er afdelingen van Ju̱da voor Be̱njamin.*

Voetnoten

Zie 10:28 vtn.
„Selaniet”, door een correctie van de klinkertekens; M: „Siloniet.” Vgl. Nu 26:20.
„En zijn broeders”, LXXL.
Mogelijk: „en zijn broeders, dappere, sterke mannen”, door een correctie van M. Vgl. vs. 14a.
„Een opziener.” Hebr.: pa·qidhʹ; Gr.: e·piʹsko·pos. Zie 2Kon 11:18 vtn.; Han 20:28 vtn., „Opzieners”.
Lett.: „het hoofd.” Hebr.: roʼsj.
Lett.: „en haar dochters.”
Waarschijnlijk hetzelfde als „Dimona” in Joz 15:22.
„Jezus”, LXX.
„Dal van Hinnom.” Hebr.: gēʼ-Hin·nomʹ; Lat.: valʹlem Enʹnom. Zie App. 4C.
„Voor Juda en voor Benjamin”, LXXL.