Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Nahum 2:1-13

2  Iemand die een verstrooiing bewerkt, is voor uw* aangezicht opgetrokken.+ Moge de versterkte plaats beveiligd worden. Let op [de] weg. Sterk [de] heupen. Versterk de kracht zeer.+  Want Jehovah zal stellig de trots van Ja̱kob+ vergaderen, gelijk de trots van I̱sraël, want zij die leegmaken, hebben hen leeggemaakt;+ en hun ranken hebben zij vernield.+  Het schild van zijn sterke mannen is rood geverfd; [zijn] mannen van vitale kracht* zijn in karmozijnen stof gekleed.+ Met het vuur van ijzer[beslag] is de strijdwagen op de dag dat hij zich gereedmaakt, en de [speren van hout van de] jeneverboom*+ zijn tot trillen gebracht.  Op de straten blijven de strijdwagens razen.+ Ze blijven af en aan stormen op de openbare pleinen. De aanblik ervan is als fakkels. Als bliksemschichten+ blijven ze voortsnellen.  Hij zal zijn majestueuzen gedenken.+ Zij zullen struikelen in hun gaan.+ Zij zullen zich naar haar muur haasten, en de barricade zal stevig opgesteld moeten worden.  Ja, de poorten van de rivieren zullen stellig geopend worden, en het paleis zelf zal werkelijk oplossen.  En het is vastgesteld; ze is ontbloot; ze zal stellig weggevoerd worden,+ en haar slavinnen zullen kreunen, als het geluid van duiven,+ terwijl zij zich herhaaldelijk op het hart slaan.+  En Ni̱nevé was, vanaf de dagen [dat] ze [geweest is],+ als een vijver vol water;+ maar zij zijn op de vlucht. „Staat stil!* Staat stil!” Maar er is niemand die zich omkeert.+  Plundert zilver; plundert goud;+ want er komt geen eind aan de uitstalling [van dingen]. Er is een geweldige hoeveelheid van allerlei begeerlijke voorwerpen.+ 10  Leegte en verlatenheid, en een verwoeste [stad]!+ En het hart versmelt,+ en er is een knikken van [de] knieën,+ en hevige pijnen zijn in alle heupen;+ en wat de gezichten van hen allen aangaat, ze hebben een gloed [van opwinding] gekregen.+ 11  Waar is het leeuwenhol, en de grot* die de jonge leeuwen met manen toebehoort, waar de leeuw* rondliep en binnenging,*+ waar de leeuwenwelp was en niemand [ze] deed beven?+ 12  [De] leeuw verscheurde genoeg voor zijn welpen, en worgde voor zijn leeuwinnen. En hij hield zijn holen gevuld met prooi en zijn schuilplaatsen met verscheurde dieren.+ 13  „Zie! Ik ben tegen u”, is de uitspraak van Jehovah der legerscharen,*+ „en ik wil haar* strijdwagen in rook verbranden.+ En een zwaard zal uw jonge leeuwen met manen verslinden.+ En ik wil uw prooi van de aarde afsnijden, en de stem van uw boodschappers zal niet meer gehoord worden.”+

Voetnoten

„Uw”, in het Hebr. vr. enk., doelend op Nineve.
Of: „dappere mannen.” Hebr.: ʼan·sjē-cha′jil.
Lett.: „de jeneverbomen”; overdrachtelijk voor speerschachten.
„Staat stil [, gij mannen]!” Of: „Staat stil [, gij wateren]!”
„Grot”, door een correctie; M: „weide.”
„Leeuw.” Hebr.: ʼar·jeh′, de Afrikaanse leeuw.
„En binnenging”, of: „om binnen te gaan”, Hebr.: la·vōʼ′, door een geringe correctie; M: „de leeuw”, Hebr.: la·viʼ′, de Aziatische leeuw.
„Jehovah der legerscharen”, MTVg; LXX: „Jehovah, de Almachtige.”
„Haar”, M; TLXXSyVgc: „uw.”