Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Micha 7:1-20

7  Wee mij,+ want ik ben geworden als de inzamelingen van zomerfruit, als de nalezing van een druivenoogst!+ Er is geen druiventros om te eten, geen vroege vijg, die mijn ziel zou begeren!+  De loyale* is van de aarde* vergaan, en onder de mensen* is er geen oprechte.+ Zij allen, op bloedvergieten loeren zij.+ Zij jagen, een ieder op zijn eigen broeder, met een sleepnet.+  [Hun] handen zijn op het kwade [gericht], om [het] goed uit te voeren;+ de vorst vraagt [om iets], en degene die rechtspreekt, [doet dit] om de beloning,+ en de grote spreekt de sterke begeerte van zijn ziel uit, ja, slechts zijn eigen [begeerte];+ en zij weven het dooreen.  De beste van hen is als een stekelstruik, [hun] oprechtste is erger dan een doornhaag.+ De dag van uw wachters, [waarop] er aandacht aan u wordt geschonken, moet komen.+ Nu zal hun ontsteltenis komen.+  Stelt UW geloof niet in een metgezel. Stelt UW vertrouwen niet in een vertrouwd vriend.+ Bewaak tegenover haar die aan uw boezem ligt, de openingen van uw mond.+  Want een zoon veracht een vader; een dochter staat op tegen haar moeder,+ een schoondochter tegen haar schoonmoeder;+ ’s mensen vijanden zijn zijn huisgenoten.*+  Maar wat mij aangaat, naar Jehovah zal ik blijven uitzien.+ Ik wil van een wachtende houding jegens de God van mijn redding blijk geven.+ Mijn God zal mij horen.+  Verheug u niet over mij, o gij, mijn vijandin.+ Al ben ik gevallen, ik zal stellig opstaan;+ al woon ik in de duisternis,+ Jehovah zal mij een licht zijn.+  Jehovah’s woede zal ik dragen — want ik heb tegen hem gezondigd+ — totdat hij mijn rechtsgeding voert en mij werkelijk recht verschaft.+ Hij zal mij uitleiden tot het licht; ik zal zijn rechtvaardigheid aanschouwen.+ 10  En mijn vijandin zal [het] zien, en schaamte zal haar bedekken+ die tot mij zei: „Waar is hij, Jehovah, uw God?”+ Mijn eigen ogen zullen op haar neerzien.+ Nu zal zij een plaats van vertrapping worden, als het slijk der straten.+ 11  De dag voor het bouwen van uw* stenen muren, op die dag zal [de] verordening* ver zijn.+ 12  Op die dag zal men* zelfs van Assy̱rië en de steden van Egy̱pte* naar u toe komen, en van Egy̱pte zelfs tot aan [de] Rivier,+ en van zee tot zee, en [van] berg tot de berg.+ 13  En het land moet een verlaten woestenij worden vanwege zijn bewoners, wegens de vrucht van hun handelingen.+ 14  Weid uw* volk met uw staf,+ de kudde van uw erfdeel, die welke alleen in een woud verbleef — te midden van een boomgaard.+ Laat hen weiden in Ba̱san en Gi̱lead+ als in lang vervlogen dagen.+ 15  „Als in de dagen van uw uittocht uit het land Egy̱pte zal ik hem wonderbare dingen laten zien.+ 16  Natiën zullen [het] zien en beschaamd worden over al hun macht.+ Zij zullen de hand op de mond leggen;+ ja, hun oren zullen doof worden. 17  Zij zullen stof likken als de slangen;+ als reptielen der aarde zullen zij in beroering uit hun bolwerken komen.+ Tot Jehovah, onze God,* zullen zij sidderend komen, en zij zullen bevreesd voor u zijn.”+ 18  Wie is een God* als gij,+ een die dwaling vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding+ van het overblijfsel van zijn erfdeel?+ Hij zal stellig niet voor eeuwig aan zijn toorn vasthouden, want hij schept behagen in liefderijke goedheid.*+ 19  Hij zal ons wederom barmhartigheid betonen;+ hij zal onze dwalingen onderwerpen.+ En gij zult al hun* zonden in de diepten der zee werpen.+ 20  Gij zult [de] aan Ja̱kob [geschonken] waarachtigheid, [de] aan A̱braham [geschonken] liefderijke goedheid geven, die gij vanaf de dagen van weleer onder ede aan onze voorvaders beloofd hebt.+

Voetnoten

Of: „Degene die liefderijke goedheid oefent.” Hebr.: cha·sidh′.
Of: „[uit] het land.” Hebr.: ha·ʼa′rets.
Of: „onder de aardse mensen.” Hebr.: ba·ʼa·dham′.
Lett.: „de mannen [Hebr.: ʼan·sjē′] van zijn huis”; ʼan·sjē′ is een mv.-vorm van ʼisj, dat eerder in deze zinsnede met „’s mensen” is weergegeven.
„Uw”, in het Hebr. vr. enk.
Of: „vastgestelde grens.”
„Men” of „hij”, MSyVg; LXX: „zij”, mv.
„Egypte.” Hebr.: Ma·tsōr′.
„Uw”, in het Hebr. mnl. enk.
„Onze God.” Hebr.: ʼElo·hē′noe.
„God.” Hebr.: ʼEl; Gr.: The′os; Lat.: De′us.
Of: „loyale liefde.” Hebr.: che′sedh.
„Hun”, M; LXXSyVg: „onze”; T: „Israëls.”