Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Markus 8:1-38

8  Toen er in die dagen weer een grote schare bijeen was en zij niets te eten hadden, riep hij de discipelen bij zich en zei tot hen:+  „Ik heb medelijden+ met de schare, want zij zijn nu al drie dagen bij mij gebleven en hebben niets te eten;  en als ik hen naar huis stuur zonder dat zij eerst gegeten hebben, zullen zij onderweg bezwijken. Sommigen van hen zijn namelijk van ver gekomen.”  Zijn discipelen antwoordden hem echter: „Waar zal iemand op zo’n afgelegen plaats als hier broden vandaan kunnen halen om deze mensen te verzadigen?”+  Toch vroeg hij hun vervolgens: „Hoeveel broden hebt GIJ?” Zij zeiden: „Zeven.”+  En hij gaf de schare de opdracht op de grond te gaan aanliggen, en hij nam de zeven broden, sprak een dankgebed uit+ en brak ze, waarna hij ze aan zijn discipelen gaf om ze uit te reiken, en zij reikten ze uit aan de schare.+  Zij hadden ook nog wat visjes; en na er de zegen over uitgesproken te hebben, zei hij dat zij die ook moesten uitreiken.+  Zo aten zij dan en werden verzadigd, en zij haalden de overgebleven brokken op, zeven proviandmanden vol.+  Toch waren er ongeveer vierduizend [mannen]. Ten slotte zond hij hen weg.+ 10  Onmiddellijk daarna stapte hij met zijn discipelen in de boot en kwam in de landstreken van Dalmano̱e̱tha.+ 11  Hier kwamen de Farizeeën voor de dag en begonnen met hem te redetwisten, terwijl zij om hem op de proef te stellen, een teken uit de hemel van hem verlangden.+ 12  Hij dan zuchtte diep+ met zijn geest en zei: „Waarom verlangt dit geslacht een teken? Voorwaar, ik zeg: Aan dit geslacht zal geen teken worden gegeven.”+ 13  Daarmee verliet hij hen, stapte weer in de boot en begaf zich naar de andere oever. 14  Nu hadden zij vergeten broden mee te nemen, en zij hadden niets dan één brood bij zich in de boot.+ 15  Toen gaf hij hun een uitdrukkelijk bevel en zei: „Let op, past op voor het zuurdeeg van de Farizeeën en het zuurdeeg van Hero̱des.”+ 16  Zij dan gingen er onder elkaar over argumenteren dat zij geen broden hadden.+ 17  Hij merkte dit en zei tot hen: „Waarom argumenteert GIJ erover dat GIJ geen broden hebt?+ Hebt GIJ dan nog geen begrip en is de betekenis U nog niet duidelijk? Is UW hart afgestompt wat inzicht betreft?+ 18  ’Ofschoon GIJ ogen hebt, ziet GIJ niet; en ofschoon GIJ oren hebt, hoort GIJ niet?’+ En herinnert GIJ U niet 19  hoeveel manden vol brokken GIJ hebt opgehaald toen ik de vijf broden+ voor de vijfduizend heb gebroken?” Zij zeiden tot hem: „Twaalf.”+ 20  „En hoeveel proviandmanden vol brokken GIJ hebt opgehaald toen ik de zeven voor de vierduizend heb gebroken?” En zij zeiden tot hem: „Zeven.”+ 21  Daarop zei hij tot hen: „Begrijpt GIJ de betekenis nog niet?”+ 22  Nu legden zij aan in Bethsa̱ïda. Daar bracht men een blinde bij hem met het dringende verzoek hem aan te raken.+ 23  En hij nam de blinde bij de hand, bracht hem buiten het dorp, en na op zijn ogen te hebben gespuwd,+ legde hij zijn handen op hem en vroeg hem toen: „Ziet gij iets?” 24  En de man keek op* en zei nu: „Ik zie mensen, want ik neem [dingen] waar die op bomen lijken, maar ze lopen rond.” 25  Daarna legde hij zijn handen nog eens op de ogen van de man, en de man zag scherp, en hij was hersteld en zag alles duidelijk. 26  Daarop zond hij hem naar huis en zei: „Ga echter niet het dorp in.”+ 27  Jezus en zijn discipelen vertrokken nu naar de dorpen van Cesare̱a Fili̱ppi, en onderweg ging hij zijn discipelen vragen stellen en zei tot hen: „Wie zeggen de mensen dat ik ben?”+ 28  Zij zeiden tot hem: „Joha̱nnes de Doper,*+ en anderen: Eli̱a,+ weer anderen: Een van de profeten.”+ 29  En hij stelde hun de vraag: „Wie zegt GIJ echter dat ik ben?” Pe̱trus* gaf hem ten antwoord: „Gij zijt de Christus.”+ 30  Daarop gelastte hij hun streng met niemand over hem te spreken.+ 31  Ook begon hij hun te onderwijzen dat de Zoon des mensen veel lijden zou moeten ondergaan en door de oudere mannen en de overpriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden en gedood moest worden,+ en dat hij drie dagen later zou opstaan.+ 32  Ja, hij sprak dit woord vrijuit. Maar Pe̱trus nam hem terzijde en begon hem te bestraffen.+ 33  Zich omkerend, keek hij naar zijn discipelen en bestrafte Pe̱trus, en zei: „Ga achter mij, Sa̱tan, want gij denkt niet Gods gedachten, maar die der mensen.”*+ 34  Nu riep hij de schare samen met zijn discipelen bij zich en zei tot hen: „Wil iemand achter mij komen, dan moet hij zichzelf verloochenen en zijn martelpaal* opnemen en mij voortdurend volgen.+ 35  Want wie zijn ziel* wil redden, zal ze verliezen; maar wie zijn ziel verliest ter wille van mij en het goede nieuws, zal ze redden.+ 36  Wat voor nut toch heeft het voor een mens als hij de gehele wereld wint en zijn ziel verbeurt?+ 37  Wat toch zou een mens geven in ruil voor zijn ziel?+ 38  Want wie zich in dit overspelige en zondige geslacht over mij en mijn woorden schaamt, over hem zal ook de Zoon des mensen zich schamen+ wanneer hij gekomen zal zijn in de heerlijkheid van zijn Vader met de heilige engelen.”+

Voetnoten

Of: „kreeg het gezichtsvermogen terug; zag weer.”
Of: „Onderdompeler.” Gr.: Ba·ptiʹsten.
„Petrus”, אAB; Syp: „Simon”; Sys: „Kefa.” Zie Mt 16:18 vtn., „Rots”.
Of: „gij hebt niet Gods gezindheid (denkwijze), maar die der mensen.”
Zie App. 5C.
Of: „leven.” Gr.: psuʹchen; J17,18,22(Hebr.): naf·sjōʹ (van neʹfesj). Zie App. 4A.