Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Lukas 9:1-62

9  Toen riep hij de twaalf bijeen en gaf hun kracht en macht over alle demonen en om ziekten te genezen.+  Daarop zond hij hen uit om het koninkrijk Gods te prediken en [de zieken] gezond te maken,  en hij zei tot hen: „Neemt niets mee voor de reis, geen staf, geen voedselzak, geen brood, geen zilvergeld; hebt ook geen twee onderklederen.+  Maar als GIJ ergens een huis binnengaat, blijft daar en vertrekt vandaar.+  En als men U ergens niet ontvangt, schudt dan bij het weggaan uit die stad+ het stof van UW voeten, als een getuigenis tegen hen.”+  Toen gingen zij op weg en trokken van dorp tot dorp het gebied door, terwijl zij overal het goede nieuws bekendmaakten en genezingen verrichtten.+  De districtsregeerder* Hero̱des nu hoorde wat er allemaal gebeurde, en hij verkeerde in grote verlegenheid, omdat sommigen zeiden dat Joha̱nnes uit de doden was opgewekt,+  maar anderen dat Eli̱a was verschenen en weer anderen dat iemand van de oude profeten was opgestaan.  Hero̱des zei: „Joha̱nnes heb ik onthoofd.+ Wie is dit dan over wie ik zulke dingen hoor?” Hij zocht+ daarom een gelegenheid om hem te zien. 10  Bij hun terugkeer verhaalden de apostelen hem alles wat zij hadden gedaan.+ Daarop nam hij hen mee en trok zich in de eenzaamheid terug+ in een stad die Bethsa̱ïda heette. 11  Maar de scharen kwamen het te weten en volgden hem. En hij ontving hen vriendelijk en ging tot hen spreken over het koninkrijk Gods,+ en hen die genezing nodig hadden, maakte hij gezond.+ 12  Toen begon de dag [ten einde] te neigen. De twaalf kwamen nu naar hem toe en zeiden: „Stuur de schare weg, opdat zij naar de dorpen en het land in de omtrek kunnen gaan en zich onderdak en voedselbenodigdheden kunnen verschaffen, want wij zijn hier op een eenzame plaats.”+ 13  Maar hij zei tot hen: „Geeft GIJ hun iets te eten.”+ Zij zeiden: „Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen,+ of wijzelf zouden voor al deze mensen levensmiddelen moeten gaan kopen.”+ 14  Nu waren er ongeveer vijfduizend mannen.+ Maar hij zei tot zijn discipelen: „Laat hen aanliggen zoals bij maaltijden, in groepen van elk ongeveer vijftig.”+ 15  En zij deden dit en lieten hen allen aanliggen. 16  Daarop nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak er de zegen over uit en brak ze en gaf ze toen aan de discipelen om ze aan de schare voor te zetten.+ 17  Zij aten dan allen en werden verzadigd, en wat zij hadden overgehouden, werd opgehaald: twaalf manden met brokken.+ 18  Toen hij later alleen aan het bidden was, kwamen de discipelen gezamenlijk naar hem toe,* en hij vroeg hun en zei: „Wie zeggen de scharen dat ik ben?”+ 19  Zij gaven ten antwoord: „Joha̱nnes de Doper;* maar anderen Eli̱a,* en weer anderen, dat een van de oude profeten is opgestaan.”+ 20  Toen zei hij tot hen: „Wie zegt GIJ echter dat ik ben?” Pe̱trus gaf ten antwoord:+ „De Christus+ van God.” 21  Daarop gebood hij hun in nadrukkelijke bewoordingen dit aan niemand te zeggen,+ 22  maar hij zei: „De Zoon des mensen moet veel lijden ondergaan en door de oudere mannen en overpriesters en schriftgeleerden verworpen worden en gedood worden+ en op de derde dag worden opgewekt.”+ 23  Toen zei hij verder tot allen: „Wil iemand achter mij komen, dan moet hij zichzelf verloochenen+ en zijn martelpaal* dag aan dag opnemen en mij voortdurend volgen.+ 24  Want wie zijn ziel* wil redden, zal ze verliezen; maar wie zijn ziel verliest ter wille van mij, die zal ze redden.+ 25  Wat voor nut toch heeft het voor een mens als hij de gehele wereld wint, maar zichzelf verliest of schade lijdt?+ 26  Want wie zich over mij en over mijn woorden schaamt, over hem zal de Zoon des mensen zich schamen wanneer hij gekomen zal zijn in zijn heerlijkheid en die van de Vader en van de heilige engelen.+ 27  Ik zeg U echter naar waarheid: Onder hen die hier staan, zijn er sommigen die geenszins de dood zullen smaken voordat zij eerst het koninkrijk Gods zien.”+ 28  Het geschiedde nu ongeveer acht dagen na deze woorden dat hij Pe̱trus en Joha̱nnes en Jako̱bus meenam en de berg besteeg om te bidden.+ 29  En terwijl hij bad, werd het aanzien+ van zijn aangezicht anders en zijn kleding werd glinsterend wit.*+ 30  En zie! twee mannen waren met hem in gesprek, het waren Mo̱zes en Eli̱a.+ 31  Dezen verschenen met heerlijkheid en gingen spreken over zijn heengaan,* dat hij te Jeru̱zalem moest vervullen.+ 32  Nu waren Pe̱trus en degenen die met hem waren, door slaap overmand; maar toen zij klaar wakker werden, zagen zij zijn heerlijkheid+ en de twee mannen die bij hem stonden. 33  En toen dezen van hem werden gescheiden, zei Pe̱trus tot Jezus: „Onderwijzer, het is heel goed dat wij hier zijn, laten wij daarom drie tenten opslaan, één voor u en één voor Mo̱zes en één voor Eli̱a”, zonder te weten wat hij zei.+ 34  Maar terwijl hij deze dingen zei, vormde er zich een wolk die hen vervolgens overschaduwde. Toen zij in de wolk gingen, werden zij bevreesd.+ 35  En er kwam een stem+ uit de wolk, die zei: „Dit is mijn Zoon, degene die is uitverkoren.+ Luistert naar hem.”+ 36  En toen de stem weerklonk, werd Jezus alleen bevonden.+ Maar zij bewaarden het stilzwijgen en berichtten in die dagen aan niemand iets van de dingen die zij hadden gezien.+ 37  Toen zij de volgende dag van de berg afdaalden, kwam hem een grote schare tegemoet.+ 38  En zie! een man uit de schare riep en zei: „Leraar, ik smeek u naar mijn zoon te komen kijken, want hij is mijn eniggeborene,*+ 39  en zie! een geest+ overweldigt hem, en plotseling schreeuwt hij het uit, en hij doet hem stuiptrekken tot het schuim hem op de mond staat, en ook nadat hij hem letsel heeft toegebracht, gaat hij nog maar nauwelijks van hem weg. 40  En ik heb uw discipelen gesmeekt hem uit te werpen, maar zij konden het niet.”+ 41  Jezus gaf ten antwoord: „O ongelovig en verdraaid geslacht,+ hoe lang moet ik nog bij U blijven en U verdragen? Breng uw zoon hier.”+ 42  Maar zelfs terwijl hij naderbij kwam, sloeg de demon hem tegen de grond en deed hem hevig stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest en maakte de jongen gezond en gaf hem aan zijn vader terug.+ 43  Zij dan stonden allen versteld van de majestueuze kracht+* van God. Terwijl nu allen zich verwonderden over al de dingen die hij deed, zei hij tot zijn discipelen: 44  „Knoopt deze woorden in UW oren, want de Zoon des mensen zal stellig in de handen der mensen worden overgeleverd.”+ 45  Zij begrepen dit woord echter nog steeds niet. Ja, het was voor hen verborgen, opdat zij het niet konden vatten, en zij waren bevreesd hem over dit woord te vragen.+ 46  Toen kwam er een overlegging bij hen op, namelijk wie van hen wel de grootste zou zijn.*+ 47  Daar Jezus de overlegging van hun hart wist, nam hij een jong kind, zette het naast zich+ 48  en zei tot hen: „Al wie dit jonge kind ontvangt op basis van mijn naam, ontvangt [ook] mij, en al wie mij ontvangt, ontvangt [ook] hem die mij heeft uitgezonden.+ Want wie zich als een mindere onder U allen gedraagt,+ die is* groot.”+ 49  Joha̱nnes gaf ten antwoord: „Onderwijzer, wij hebben iemand met gebruikmaking van uw naam demonen zien uitwerpen+ en wij hebben getracht het hem te beletten,+ omdat hij [u] niet met ons volgt.”*+ 50  Maar Jezus zei tot hem: „Tracht gijlieden niet het [hem] te beletten, want wie niet tegen U is, is vóór U.”+ 51  Toen de dagen nu ten volle verstreken dat hij opgenomen zou worden,*+ richtte hij zijn aangezicht er vastberaden op naar Jeru̱zalem te gaan. 52  Daarom zond hij boodschappers voor zich uit. En zij gingen heen en kwamen in een dorp der Samaritanen+ om voorbereidingen voor hem te treffen; 53  maar men ontving hem niet, omdat hij zijn aangezicht erop gericht had naar Jeru̱zalem te gaan.+ 54  Toen de discipelen Jako̱bus en Joha̱nnes+ dit zagen, zeiden zij: „Heer,* wilt gij dat wij zeggen dat er vuur+ van de hemel neerdaalt om hen te verdelgen?” 55  Maar hij keerde zich om en bestrafte hen. 56  Daarom gingen zij naar een ander dorp. 57  Terwijl zij nu onderweg waren, zei iemand tot hem: „Ik zal u volgen, waarheen gij ook gaat.”+ 58  En Jezus zei tot hem: „De vossen hebben holen en de vogels des hemels roestplaatsen, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen.”+ 59  Toen zei hij tot een ander: „Wees mijn volgeling.” De man zei: „Sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.”+ 60  Maar hij zei tot hem: „Laat de doden+ hun doden begraven, maar gij, ga heen en maak alom het koninkrijk Gods bekend.”+ 61  En weer een ander zei: „Ik zal u volgen, Heer, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen+ van mijn huisgenoten.”* 62  Jezus zei tot hem: „Niemand die zijn hand aan de ploeg heeft geslagen+ en ziet naar de dingen die achter hem liggen,+ is goed geschikt voor het koninkrijk Gods.”

Voetnoten

Of: „De tetrarch.” Zie 3:1 en vtnn.
Of: „waren de discipelen bij hem.” B*: „troffen de discipelen hem aan.”
Of: „de Onderdompeler.” Gr.: ton Ba·ptiʹsten.
Bet.: „Mijn God is Jehovah.” J17,18,22(Hebr.): ʼE·li·jaʹhoe.
Zie App. 5C.
Of: „leven.” Gr.: psuʹchen; J17,18,22(Hebr.): naf·sjōʹ (van neʹfesj). Zie App. 4A.
Of: „blinkend (glanzend).”
„Heengaan.” Gr.: eʹxo·don, zoals in 2Pe 1:15.
Of: „enige.” Gr.: mo·noʹge·nes.
„Majestueuze kracht.” Of: „majesteit.” Gr.: me·ga·lei·o·teʹti; Lat.: ma·gni·tuʹdi·ne; J17,22(Hebr.): gedhoel·lathʹ.
Of: „wie . . . was.”
Of: „die zal groot zijn.”
Of: „hij niet met ons gaat.”
Of: „voor zijn hemelvaart.”
Of: „Meester.”
Of: „van degenen die in mijn huis zijn.”