Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Lukas 20:1-47

20  Toen hij op een van de dagen het volk in de tempel onderwees en het goede nieuws bekendmaakte, kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden met de oudere mannen naderbij,+  en zij namen het woord en zeiden tot hem: „Zeg ons krachtens welke autoriteit gij deze dingen doet, of wie u die autoriteit heeft gegeven.”+  Hij gaf hun ten antwoord: „Ik zal U ook een vraag stellen, en zegt mij:+  Was de doop* van Joha̱nnes uit de hemel of uit de mensen?”+  Toen maakten zij onder elkaar gevolgtrekkingen en zeiden: „Als wij zeggen: ’Uit de hemel’, dan zal hij zeggen: ’Waarom hebt GIJ hem dan niet geloofd?’+  Maar als wij zeggen: ’Uit de mensen’, dan zal het gehele volk, niemand uitgezonderd, ons stenigen,+ want zij zijn ervan overtuigd dat Joha̱nnes+ een profeet was.”+  Zij antwoordden dus dat zij niet wisten vanwaar die was.  En Jezus zei tot hen: „Dan zeg ik U evenmin krachtens welke autoriteit ik deze dingen doe.”+  Toen begon hij het volk deze illustratie te vertellen: „Een mens plantte een wijngaard+ en verhuurde die aan wijngaardeniers en reisde voor geruime tijd naar het buitenland.+ 10  Maar op de vastgestelde tijd zond hij een slaaf+ naar de wijngaardeniers,+ opdat zij hem wat van de vruchten van de wijngaard zouden geven.+ De wijngaardeniers zonden hem echter, na hem afgeranseld te hebben, met lege handen weg.+ 11  Maar hij zond hun nogmaals een andere slaaf. Ook die ranselden zij af en deden hem oneer aan en zonden hem met lege handen weg.+ 12  Nog eens zond hij een derde;+ ook deze verwondden zij en wierpen hem eruit. 13  Nu zei de eigenaar van de wijngaard: ’Wat zal ik doen? Ik zal mijn zoon, de geliefde, zenden.+ Waarschijnlijk zullen zij voor hem achting hebben.’ 14  Toen de wijngaardeniers hem gewaar werden, gingen zij met elkaar overleggen en zeiden: ’Dit is de erfgenaam; laten wij hem doden, opdat de erfenis van ons wordt.’+ 15  Daarop wierpen zij hem buiten+ de wijngaard en doodden+ hem. Wat zal de eigenaar van de wijngaard daarom met hen doen?+ 16  Hij zal komen en die wijngaardeniers ombrengen, en hij zal de wijngaard aan anderen geven.”+ Toen zij [dit] hoorden, zeiden zij: „Moge dat nooit geschieden!” 17  Maar hij keek hen aan en zei: „Wat betekent dan dit, dat geschreven staat: ’De steen die de bouwlieden hebben verworpen,+ is juist de hoofdhoeksteen geworden’?+ 18  Iedereen die op die steen valt, zal verpletterd worden.+ Wat hem betreft op wie [de steen] valt,+ hij zal erdoor verpulverd worden.”+ 19  De schriftgeleerden en de overpriesters nu zochten nog in datzelfde uur de hand aan hem te slaan, maar zij vreesden het volk; zij bemerkten namelijk dat hij deze illustratie met het oog op hen gesproken had.+ 20  En na hem nauwlettend te hebben gadegeslagen, zonden zij mannen uit, die in het geheim waren gehuurd om voor te wenden dat zij rechtvaardig waren, opdat zij hem op een of ander woord konden vangen,+ waardoor zij hem konden overleveren aan de regering en aan de autoriteit van de bestuurder.+ 21  En zij vroegen hem en zeiden: „Leraar, wij weten dat gij juist spreekt en onderwijst en geen partijdigheid betoont, maar dat gij de weg van God in overeenstemming met de waarheid onderwijst:+ 22  Is het ons geoorloofd caesar* belasting te betalen of niet?”+ 23  Maar hij doorzag hun listigheid en zei tot hen:+ 24  „Laat mij een denarius* zien. Wiens beeld en opschrift draagt hij?” Zij zeiden: „Van caesar.”+ 25  Hij zei tot hen: „Betaalt caesar dan in elk geval terug wat van caesar,+ maar God wat van God is.”+ 26  Op dit woord nu konden zij hem in het bijzijn van het volk niet vangen, maar verbaasd over zijn antwoord zeiden zij niets.+ 27  Er kwamen echter sommigen van de Sadduceeën naderbij, die zeggen dat er geen opstanding is,+ en zij vroegen hem 28  en zeiden: „Leraar, Mo̱zes+ heeft ons geschreven: ’Indien iemands broer sterft en een vrouw heeft, maar deze is kinderloos gebleven, dient zijn broer+ de vrouw te nemen en nageslacht voor zijn broer bij haar te verwekken.’+ 29  Nu waren er zeven broers; en de eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.+ 30  Zo ook de tweede, 31  en de derde nam haar. Evenzo alle zeven: zij lieten geen kinderen na, maar stierven.+ 32  Ten laatste stierf ook de vrouw.+ 33  Van wie van hen wordt zij dientengevolge in de opstanding* [de] vrouw? Want de zeven hebben haar tot vrouw gehad.”+ 34  Jezus zei tot hen: „De kinderen van dit samenstel van dingen* huwen+ en worden ten huwelijk gegeven, 35  maar zij die waardig gerekend zijn+ dat samenstel van dingen+ en de opstanding uit de doden+ te verwerven, huwen niet noch worden zij ten huwelijk gegeven. 36  Zij kunnen trouwens ook niet meer sterven,+ want zij zijn gelijk de engelen, en zij zijn Gods kinderen* doordat zij kinderen van de opstanding zijn.+ 37  Maar dat de doden worden opgewekt, heeft zelfs Mo̱zes onthuld in het bericht over het doornbos,+ wanneer hij Jehovah* ’de God van A̱braham en [de] God van I̱saäk en [de] God van Ja̱kob’ noemt.*+ 38  Hij is geen God van de doden, maar van de levenden, want voor hem* leven zij allen.”+ 39  Sommigen van de schriftgeleerden gaven ten antwoord: „Leraar, gij hebt goed gesproken.” 40  Zij hadden namelijk niet meer de moed hem ook nog maar één vraag te stellen. 41  Nu zei hij tot hen: „Hoe kan men zeggen dat de Christus Da̱vids zoon is?+ 42  Want Da̱vid zelf zegt in het boek der Psalmen: ’Jehovah* heeft tot mijn Heer gezegd: „Zit aan mijn rechterhand 43  totdat ik uw vijanden tot een voetbank voor uw voeten stel.”’+ 44  Da̱vid noemt hem derhalve ’Heer’; hoe is hij dan zijn zoon?” 45  Toen dan het gehele volk luisterde, zei hij tot de discipelen:+ 46  „Past op voor de schriftgeleerden, die in lange gewaden willen rondlopen en gesteld zijn op begroetingen op de marktplaatsen* en op de voorste zitplaatsen in de synagogen en de voornaamste plaatsen bij de avondmaaltijden,+ 47  en die de huizen der weduwen verslinden+ en voor de schijn lange gebeden uitspreken. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.”+

Voetnoten

Of: „onderdompeling.” Gr.: ba·ptiʹsma.
Of: „de keizer.” Gr.: Kaiʹsa·ri; Lat.: Caeʹsa·ri.
Een Romeinse zilvermunt die 3,85 g woog.
„Opstanding.” Gr.: a·naʹsta·sei, „oprichten; opstaan” (van aʹna, „op”, en staʹsis, „staan”); Lat.: re·sur·rec·ti·oʹne.
Of: „[deze] ordening van dingen.” Gr.: ai·oʹnos; Lat.: saeʹcu·li; J17,18,22(Hebr.): ha·ʽō·lamʹ, „de ordening van dingen”.
„Kinderen.” Of: „zonen.”
Zie App. 1D.
Of: „wanneer hij zegt: ’Jehovah, de God van Abraham . . . .’”
Of: „van zijn standpunt uit bezien.”
Zie App. 1D.
Zie 11:43 vtn.