Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Lukas 18:1-43

18  En vervolgens vertelde hij hun een illustratie met betrekking tot de noodzaak om altijd te bidden en het niet op te geven,+  door te zeggen: „In een zekere stad was een zekere rechter die geen vrees voor God koesterde noch achting voor de mens bezat.  Er was ook een weduwe in die stad, die aanhoudend naar hem toe ging+ en zei: ’Zie erop toe dat mij recht wordt verschaft ten opzichte van mijn tegenpartij in het rechtsgeding.’  Een tijdlang echter wilde hij niet, maar daarna zei hij bij zichzelf: ’Ofschoon ik geen vrees voor God koester noch achting voor een mens bezit,  zal ik er in elk geval op toezien dat deze weduwe recht wordt verschaft, omdat zij mij voortdurend lastig valt,+ opdat zij niet blijft komen en mij ten slotte nog in het gezicht slaat.’”*+  Toen zei de Heer: „Hoort wat de rechter, ofschoon hij onrechtvaardig was, zei!  Zal God dan niet stellig recht doen wedervaren+ aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot hem roepen, ook al is hij lankmoedig+ jegens hen?  Ik zeg U: Hij zal hen spoedig recht doen wedervaren.+ Maar wanneer de Zoon des mensen gekomen is, zal hij dan werkelijk het geloof* op aarde vinden?”  De volgende illustratie echter sprak hij ook tot sommigen die op zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren+ en die de overigen als niets beschouwden:+ 10  „Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër en de ander een belastinginner. 11  De Farizeeër stond+ en ging bij zichzelf als volgt bidden:+ ’O God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen: afpersers, onrechtvaardigen, overspelers, of zelfs zoals deze belastinginner.+ 12  Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles wat ik verwerf.’+ 13  Maar de belastinginner, die op een afstand stond, wilde zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, doch sloeg zich voortdurend op de borst+ en zei: ’O God, wees mij zondaar genadig.’+ 14  Ik zeg U: Toen deze naar zijn huis afdaalde, had hij zich rechtvaardiger betoond+ dan die andere; want een ieder die zich verhoogt, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert, zal verhoogd worden.”+ 15  Nu kwamen de mensen ook hun kleintjes* bij hem brengen, opdat hij hen zou aanraken; maar toen de discipelen dit zagen, gingen zij hen berispen.+ 16  Jezus riep de [kleintjes] echter bij zich en zei: „Laat de jonge kinderen bij mij komen en tracht niet hen tegen te houden. Want aan hen die zijn zoals zij,+ behoort het koninkrijk Gods toe. 17  Voorwaar, ik zeg U: Wie het koninkrijk Gods niet ontvangt als een jong kind, zal er geenszins binnengaan.”+ 18  En een zekere regeerder stelde hem een vraag en zei: „Goede Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te beërven?”+ 19  Jezus zei tot hem: „Waarom noemt gij mij goed? Niemand is goed, behalve één, God.+ 20  Gij kent de geboden:+ ’Pleeg geen overspel,+ Moord niet,+ Steel niet,+ Leg geen vals getuigenis af,+ Eer uw vader en moeder’.”+ 21  Toen zei hij: „Die heb ik allemaal van mijn jeugd af in acht genomen.”+ 22  Nadat Jezus dit had gehoord, zei hij tot hem: „In nog één ding schiet gij te kort: Verkoop alles wat gij hebt en deel uit aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben; en kom, wees mijn volgeling.”+ 23  Toen hij dit hoorde, werd hij diepbedroefd, want hij was zeer rijk.+ 24  Jezus keek hem aan en zei: „Hoe moeilijk zal het zijn voor hen die geld hebben, het koninkrijk Gods binnen te gaan!+ 25  Ja, voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naainaald te gaan dan voor een rijke het koninkrijk Gods binnen te gaan.”+ 26  Zij die dit hoorden, zeiden: „Wie kan er dan mogelijkerwijs worden gered?” 27  Hij zei: „De dingen die bij mensen onmogelijk zijn, zijn mogelijk bij God.”+ 28  Maar Pe̱trus zei: „Zie! Wij hebben onze eigen dingen verlaten en zijn u gevolgd.”+ 29  Hij zei tot hen: „Voorwaar, ik zeg U: Er is niemand die huis of vrouw of broers of ouders of kinderen ter wille van het koninkrijk Gods heeft verlaten,+ 30  die niet op een of andere wijze vele malen meer zal ontvangen in deze tijdsperiode, en in het komende samenstel van dingen* eeuwig leven.”+ 31  Toen nam hij de twaalf terzijde en zei tot hen: „Ziet! Wij gaan op naar Jeru̱zalem, en alles wat door bemiddeling van de profeten aangaande de Zoon des mensen is geschreven,+ zal volbracht worden.+ 32  Hij zal bijvoorbeeld aan [mensen uit] de natiën worden overgeleverd en er zal de spot met hem worden gedreven+ en hij zal onbeschaamd behandeld+ en bespuwd worden;+ 33  en na hem gegeseld te hebben,+ zullen zij hem doden,+ maar op de derde dag zal hij opstaan.”+ 34  Zij begrepen echter van geen van deze dingen de betekenis; maar deze uitspraak was voor hen verborgen, en zij wisten niet over welke dingen er gesproken werd.+ 35  Toen hij nu in de nabijheid van Je̱richo kwam, zat er langs de weg een zekere blinde te bedelen.+ 36  Omdat hij een schare hoorde voorbijtrekken, informeerde hij voorts wat dit wel te betekenen had. 37  Zij berichtten hem: „Jezus de Nazarener gaat voorbij!”+ 38  Toen riep hij en zei: „Jezus, Zoon van Da̱vid, wees mij barmhartig!”+ 39  En zij die vooropgingen, legden hem vervolgens bars het zwijgen op, maar hij bleef des te meer schreeuwen: „Zoon van Da̱vid, wees mij barmhartig!”+ 40  Toen bleef Jezus staan en gebood dat de [man] bij hem gebracht zou worden.+ Toen hij naderbij gekomen was, vroeg [Jezus*] hem: 41  „Wat wilt gij dat ik voor u doe?”+ Hij zei: „Heer,* maak dat ik weer kan zien.”+ 42  Jezus dan zei tot hem: „Krijg het gezichtsvermogen terug; uw geloof heeft u beter gemaakt.”*+ 43  En ogenblikkelijk kon hij weer zien,+ en hij ging hem volgen, terwijl hij God verheerlijkte.+ En alle mensen die [het] zagen, brachten lof aan God.

Voetnoten

Of: „ten slotte nog intimideert.” Van een ww. dat „onder het oog slaan” betekent.
Of: „dit (zo’n) geloof.”
Of: „kinderen.”
Of: „[in de . . .] ordening van dingen.” Gr.: ai·oʹni; Lat.: saeʹcu·lo; J22(Hebr.): ba·ʽō·lamʹ, „in de . . . ordening van dingen”.
Lett.: „hij.”
Of: „Meester.”
Of: „heeft u gered.”