Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Lukas 12:1-59

12  Toen er intussen een schare van zo vele duizenden* was bijeengekomen dat zij elkaar onder de voet liepen, begon hij allereerst tot zijn discipelen te zeggen: „Wacht U voor het zuurdeeg+ van de Farizeeën, hetwelk huichelarij is.+  Maar er is niets zorgvuldig aan het oog onttrokken dat niet geopenbaard zal worden, en verborgen dat niet bekend zal worden.+  Al wat GIJ daarom in de duisternis zegt, zal in het licht* worden gehoord, en wat GIJ in binnenkamers fluistert,* zal van de daken worden gepredikt.+  Bovendien zeg ik U, mijn vrienden:+ Vreest niet hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen.+  Ik zal U echter te kennen geven wie GIJ moet vrezen: Vreest hem+ die, nadat hij heeft gedood, autoriteit heeft om in Gehe̱nna* te werpen.+ Ja, ik zeg U, vreest+ Hem.  Worden niet vijf mussen voor twee geldstukken van geringe waarde* verkocht? Toch wordt niet één daarvan vergeten bij God.+  Maar zelfs de haren+ van UW hoofd zijn alle geteld. Vreest niet; GIJ zijt meer waard dan vele mussen.+  Ik zeg U dan: Belijdt+ iemand voor de mensen dat hij in eendracht met mij is, dan zal ook de Zoon des mensen voor de engelen van God belijden in eendracht met hem te zijn.+  Maar wie mij verloochent+ voor de mensen, zal voor de engelen van God worden verloochend.+ 10  En een ieder die een woord tegen de Zoon des mensen spreekt, het zal hem worden vergeven; maar hem die tegen de heilige geest lastert, zal het niet worden vergeven.+ 11  Wanneer men U echter voor openbare vergaderingen* en regeringsambtenaren en autoriteiten brengt, maakt U er dan niet bezorgd over hoe of wat GIJ ter verdediging zult spreken of wat* GIJ zult zeggen;+ 12  want in datzelfde uur zal de heilige geest+ U leren welke dingen GIJ behoort te zeggen.”+ 13  Toen zei iemand uit de schare tot hem: „Leraar, zeg aan mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt.” 14  Hij zei tot hem: „Mens, wie heeft mij tot rechter of verdeler* over ulieden aangesteld?”+ 15  Vervolgens zei hij tot hen: „Let op en hoedt U voor elke soort van hebzucht,+ want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven spruit niet voort uit de dingen die hij bezit.”+ 16  Daarop sprak hij een illustratie tot hen en zei: „Het land van een zeker rijk mens leverde een goede opbrengst. 17  Dientengevolge ging hij bij zichzelf overleggen en zei: ’Wat zal ik doen, nu ik mijn oogsten nergens kan bijeenbrengen?’ 18  Hij zei dan: ’Dit zal ik doen:+ Ik zal mijn voorraadschuren afbreken en grotere bouwen, en daarin zal ik al mijn graan en al mijn goede dingen bijeenbrengen;+ 19  en ik zal tot mijn ziel zeggen:+ „Ziel, gij hebt vele goede dingen opgelegd voor vele jaren; neem uw gemak, eet, drink en wees vrolijk.”’+ 20  Maar God zei tot hem: ’Onredelijke, nog deze nacht eist men uw ziel* van u op.+ Voor wie zullen dan de door u opgeslagen dingen zijn?’+ 21  Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is met betrekking tot God.”+ 22  Toen zei hij tot zijn discipelen: „Daarom zeg ik U: Weest niet langer bezorgd voor UW ziel, met betrekking tot wat GIJ zult eten, of voor UW lichaam, met betrekking tot wat GIJ zult aantrekken.+ 23  Want de ziel is meer waard dan voedsel en het lichaam dan kleding. 24  Let eens goed op de raven:+ ze zaaien niet en ze oogsten niet, en ze hebben geen schuur of voorraadkamer, en toch voedt God ze. Hoeveel meer zijt GIJ waard dan vogels?+ 25  Wie van U kan door bezorgd te zijn een el aan zijn levensduur toevoegen?+ 26  Indien GIJ daarom het geringste nog niet kunt doen, waarom dan bezorgd te zijn+ voor de overige dingen? 27  Let eens goed op hoe de leliën groeien;+ ze zwoegen niet en spinnen niet; maar ik zeg U: Zelfs Sa̱lomo in al zijn heerlijkheid was niet als een van deze getooid.+ 28  Indien God nu de plantengroei op het veld, die er vandaag is en morgen in een oven wordt geworpen, aldus bekleedt, hoeveel te meer zal hij dan U bekleden, kleingelovigen!+ 29  Houdt er daarom mee op te zoeken wat GIJ zult eten en wat GIJ zult drinken, en verkeert niet langer in angstige spanning;+ 30  want al deze dingen streven de natiën der wereld vurig na, maar UW Vader weet dat GIJ deze dingen nodig hebt.+ 31  Zoekt niettemin voortdurend zijn koninkrijk, en deze dingen zullen U worden toegevoegd.+ 32  Vreest niet,+ kleine kudde,+ want het heeft UW Vader goedgedacht U het koninkrijk te geven.+ 33  Verkoopt+ al wat U toebehoort en geeft gaven van barmhartigheid.+ Maakt U beurzen die niet verslijten, een onuitputtelijke schat in de hemelen,+ waar geen dief bij komt en geen mot verteert. 34  Want waar UW schat is, daar zal ook UW hart zijn.+ 35  Houdt UW lendenen+ omgord en UW lampen+ brandend, 36  en weest als mensen die op hun meester wachten+ wanneer hij van de bruiloft* terugkeert,*+ om hem, als hij aankomt en klopt,+ terstond te kunnen opendoen. 37  Gelukkig zijn de slaven die de meester bij zijn aankomst wakend vindt!+ Voorwaar, ik zeg U: Hij zal zich omgorden+ en hen aan tafel doen aanliggen en zal langskomen en hen bedienen.+ 38  En wanneer hij in de tweede* of zelfs in de derde nachtwake* aankomt en hen aldus aantreft, gelukkig zijn zij!+ 39  Maar weet dit, dat indien de heer des huizes had geweten op welk uur de dief zou komen, hij voortdurend gewaakt zou hebben en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken.+ 40  Houdt ook GIJ U gereed, want de Zoon des mensen komt op een uur dat GIJ het niet waarschijnlijk acht.”+ 41  Toen zei Pe̱trus: „Heer,* zegt gij deze illustratie tot ons of ook tot allen?” 42  En de Heer zei: „Wie is werkelijk de getrouwe, de beleidvolle+ beheerder,*+ die door zijn meester over diens lichaam van bedienden zal worden aangesteld om hun te rechter tijd hun mate van voedselbenodigdheden te blijven geven?+ 43  Gelukkig is die slaaf wanneer zijn meester hem bij zijn aankomst daarmee bezig vindt!+ 44  Ik zeg U naar waarheid: Hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen.+ 45  Maar indien die slaaf ooit in zijn hart zou zeggen: ’Mijn meester komt nog lang niet’,+ en zou beginnen de dienstknechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden,+ 46  dan zal de meester van die slaaf komen op een dag waarop hij [hem] niet verwacht en op een uur dat hij niet weet,+ en hij zal hem met de grootste strengheid straffen* en hem zijn deel met de ontrouwen toewijzen.+ 47  Dan zal de slaaf die de wil van zijn meester heeft begrepen, maar zich niet heeft gereedgemaakt of niet volgens zijn wil heeft gehandeld, veel slagen ontvangen.+ 48  Degene echter die [de wil] niet heeft begrepen+ en daarom dingen heeft gedaan die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen.+ Ja, van een ieder aan wie veel werd gegeven, zal veel worden geëist;+ en van hem aan wie men het toezicht over veel heeft gegeven, zal men meer dan gebruikelijk is eisen.+ 49  Ik ben gekomen om een vuur te ontsteken+ op de aarde, en wat blijft mij nog te wensen over indien het reeds ontstoken is? 50  Ik moet inderdaad met een doop worden gedoopt, en hoe benauwt het mij totdat het is volbracht!+ 51  Meent GIJ dat ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Volstrekt niet, zeg ik U, maar veeleer verdeeldheid.+ 52  Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee tegen drie.+ 53  Zij zullen verdeeld zijn, vader tegen zoon en zoon tegen vader, moeder tegen dochter en dochter tegen [haar] moeder, schoonmoeder tegen haar schoondochter en schoondochter tegen [haar] schoonmoeder.”+ 54  Toen zei hij verder ook tot de scharen: „Wanneer GIJ in westelijke streken een wolk ziet opkomen, zegt GIJ terstond: ’Er komt een stortbui’, en zo gebeurt het ook.+ 55  En wanneer GIJ ziet dat er een zuidenwind waait, zegt GIJ: ’Er zal een hittegolf komen’, en het gebeurt. 56  Huichelaars, het uiterlijke aanzien van de aarde en de lucht weet GIJ te beoordelen, maar hoe komt het dan dat GIJ deze speciale tijd niet weet te beoordelen?+ 57  Waarom oordeelt GIJ ook niet zelf wat rechtvaardig is?+ 58  Wanneer gij bijvoorbeeld met uw tegenpartij in een rechtsgeding naar een regeerder gaat, doe dan onderweg moeite het geschil met hem uit de weg te ruimen, opdat hij u nimmer voor de rechter zal slepen, en de rechter u aan de gerechtsbeambte overlevert, en de gerechtsbeambte u in de gevangenis werpt.+ 59  Ik zeg u: Gij zult daar stellig niet uitkomen totdat gij het laatste kleine geldstuk van zeer weinig waarde* hebt betaald.”+

Voetnoten

Lett.: „van de myriaden.”
Of: „in het openbaar; zonder geheimhouding.”
Lett.: „naar het oor toe hebt gesproken.”
Zie App. 4C.
Lett.: „voor twee assarii.” Een assarion was een zestiende van een denarius. Zie App. 8A.
Lett.: „synagogen.”
„Hoe of wat”, אABVg; DItSyc,p: „hoe”; Sys: „wat.”
Of: „[erfenis]deler.”
Of: „leven.” Gr.: psuʹchen; J17,18,22(Hebr.): naf·sjekhaʹ (van neʹfesj). Zie App. 4A.
Of: „het bruiloftsfeest.”
Of: „opbreekt; vertrekt.” Zie App. 5D.
Van omstreeks 9 uur ’s avonds tot middernacht. Zie Mr 13:35 vtnn.
Van middernacht tot omstreeks 3 uur ’s morgens.
Of: „Meester.”
Of: „huishouder; huisbestuurder.” Gr.: oi·koʹno·mos; Lat.: di·spen·saʹtor; J17(Hebr.): has·so·khenʹ, „de . . . beheerder”. Zie Ge 24:2 vtn.; Ef 1:10 vtn., „Bestuur”.
Of: „hem in tweeën houwen.”
Lett.: „de laatste lepton.” Zie App. 8A.