Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Leviticus 25:1-55

25  En Jehovah sprak verder tot Mo̱zes op de berg Si̱naï en zei:  „Spreek tot de zonen van I̱sraël, en gij moet tot hen zeggen: ’Wanneer GIJ ten slotte in het land komt dat ik U geef,+ dan moet het land een sabbat houden voor Jehovah.+  Zes jaar dient gij uw veld te bezaaien, en zes jaar dient gij uw wijngaard te snoeien, en gij moet de opbrengst van het land inzamelen.+  Maar in het zevende jaar dient er een sabbat van volkomen rust voor het land plaats te hebben,+ een sabbat voor Jehovah. Uw veld moogt gij niet bezaaien, en uw wijngaard moogt gij niet snoeien.  Wat uit gevallen korrels van uw oogst opschiet, moogt gij niet oogsten, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok moogt gij niet inzamelen. Er dient een jaar van volkomen rust voor het land plaats te hebben.  En de sabbat[opbrengst] van het land moet ulieden tot voedsel dienen: voor u en uw slaaf en uw slavin en uw loonarbeider en uw bijwoner, zij die als vreemdelingen bij u vertoeven,  en voor uw huisdieren en voor het wild gedierte dat in uw land is. De gehele opbrengst ervan dient tot voedsel te strekken.  En gij moet u zeven sabbatjaren* tellen, zeven maal zeven jaar, en de dagen van de zeven sabbatjaren* moeten negenenveertig jaar voor u bedragen.  En in de zevende maand, op de tiende van de maand,+ moet gij de luid schallende hoorn* laten weerklinken;*+ op de verzoendag+ dient gijlieden in heel UW land de hoorn te laten weerklinken. 10  En GIJ moet het vijftigste jaar heiligen* en vrijheid* uitroepen in het land voor al zijn bewoners.+ Het zal een jubeljaar*+ voor U worden, en een ieder van U moet tot zijn bezitting terugkeren en een ieder van U dient naar zijn familie terug te keren.+ 11  Een jubeljaar zal dat vijftigste jaar voor U worden.+ GIJ moogt niet zaaien, noch oogsten wat het land uit gevallen korrels doet opschieten, noch de druiven van zijn ongesnoeide wijnstokken inzamelen.+ 12  Want het is een jubeljaar. Het dient iets heiligs voor U te worden. Van het veld moogt GIJ eten wat het land opbrengt.+ 13  In dit jubeljaar dient een ieder van U tot zijn bezitting terug te keren.+ 14  En doet elkaar geen onrecht,+ ingeval GIJ koopwaar aan uw volksgenoot verkoopt of bij het kopen* uit de hand van uw volksgenoot. 15  Volgens het aantal jaren na het jubeljaar dient gij van uw volksgenoot te kopen; volgens het aantal oogstjaren dient hij aan u te verkopen.+ 16  Naar gelang van de veelheid der jaren dient hij de koopwaarde ervan te vermeerderen,+ en naar gelang de jaren weinige zijn, dient hij de koopwaarde ervan te verminderen, want hij verkoopt u slechts het aantal oogsten. 17  En niemand van U mag zijn volksgenoot onrecht doen,+ en gij moet vrezen voor uw God,+ want ik ben Jehovah,* UW God.+ 18  GIJ moet mijn inzettingen dus volbrengen en GIJ dient mijn rechterlijke beslissingen te onderhouden en GIJ moet ze volbrengen. Dan zult GIJ stellig in zekerheid wonen in het land.+ 19  En het land zal werkelijk zijn vrucht geven,+ en GIJ zult stellig tot verzadiging eten en in zekerheid daarin wonen.+ 20  Maar ingeval GIJ zegt: „Wat zullen wij in het zevende jaar eten, daar wij niet mogen zaaien, noch onze oogst mogen inzamelen?”,+ 21  in dat geval zal ik in het zesde jaar stellig mijn zegen voor U gebieden, en het moet zijn oogst opleveren voor drie jaar.+ 22  En in het achtste jaar moet GIJ zaaien en GIJ moet van de oude oogst eten tot het negende jaar. Totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult GIJ van de oude eten. 23  Het land dient dus niet voor altijd verkocht te worden,+ want het land is van mij.+ Want GIJ zijt inwonende vreemdelingen en bijwoners van mijn standpunt uit bezien.+ 24  En in het gehele land van UW bezitting dient GIJ het recht van terugkoop voor het land toe te staan.+ 25  Ingeval uw broeder verarmt en iets van zijn bezitting moet verkopen, dan moet een nauw aan hem verwante terugkoper komen en het door zijn broeder verkochte terugkopen.+ 26  En ingeval iemand geen terugkoper blijkt te hebben en zijn eigen hand er wel in slaagt winst te maken en hij inderdaad genoeg vindt voor de terugkoop ervan, 27  dan moet hij de jaren berekenen vanaf de tijd dat hij het verkocht en wat er aan geld overschiet, teruggeven aan de man aan wie hij het verkocht heeft, en hij moet tot zijn bezitting terugkeren.+ 28  Maar indien zijn hand niet genoeg vindt om hem terug te geven, dan moet het door hem verkochte tot aan het jubeljaar in de hand van de koper ervan blijven;+ en in het jubeljaar moet het [vrij] uitgaan, en hij moet tot zijn bezitting terugkeren.+ 29  Ingeval nu een man een woonhuis in een ommuurde stad verkoopt, dan moet zijn recht van terugkoop duren totdat het jaar sinds de tijd van zijn verkoop geheel ten einde is; zijn recht van terugkoop+ dient een vol jaar* te duren. 30  Maar indien het niet wordt teruggekocht voordat er een heel jaar ten volle voor hem verstreken is, dan moet het huis dat in de stad staat die een muur heeft, voorgoed het eigendom van de koper ervan blijven in zijn geslachten. Het dient in het jubeljaar niet [vrij] uit te gaan. 31  De huizen echter van nederzettingen die niet door een muur omringd zijn, dienen als een deel van het veld van het land gerekend te worden. Daarvoor dient het recht van terugkoop+ te blijven gelden, en in het jubeljaar+ dient het [vrij] uit te gaan. 32  Wat de steden van de levieten betreft met de huizen van de steden van hun bezitting,+ het recht van terugkoop dient tot onbepaalde tijd voor de levieten te blijven gelden.+ 33  En wanneer eigendom van de levieten niet wordt teruggekocht,* dan moet het huis dat in de stad van zijn bezitting verkocht is,* in het jubeljaar [vrij] uitgaan;+ want de huizen van de steden der levieten zijn hun bezitting te midden van de zonen van I̱sraël.+ 34  Bovendien mag het veld van de weidegrond+ van hun steden niet worden verkocht, want het is voor hen een bezitting tot onbepaalde tijd. 35  En ingeval uw broeder in uw nabijheid verarmt en hij daarom financieel zwak is,*+ dan moet gij hem ondersteunen.+ Evenals een inwonende vreemdeling en een bijwoner+ moet hij bij u in leven blijven. 36  Neem geen rente en woekerwinst van hem,+ maar gij moet vrezen voor uw God;+ en uw broeder moet bij u in leven blijven. 37  Gij moogt hem uw geld niet tegen rente geven,+ noch uw voedsel tegen woekerwinst. 38  Ik ben Jehovah, UW God, die U uit het land Egy̱pte heb geleid om U het land Ka̱naän te geven,+ om mij als UW God te doen kennen.+ 39  En ingeval uw broeder in uw nabijheid verarmt en hij zich aan u moet verkopen,+ moogt gij hem niet als werker in slavendienst gebruiken.+ 40  Hij dient bij u te verkeren als een loonarbeider,+ als een bijwoner. Tot het jubeljaar behoort hij bij u te dienen. 41  En hij moet bij u weggaan, hij en zijn zonen met hem, en hij moet naar zijn familie terugkeren, en hij dient tot de bezitting van zijn voorvaders terug te keren.+ 42  Want zij zijn mijn slaven, die ik uit het land Egy̱pte heb geleid.+ Zij mogen zich niet verkopen zoals een slaaf wordt verkocht. 43  Gij moogt hem niet met tirannie vertrappen,+ en gij moet vrezen voor uw God.+ 44  Wat uw slaaf en uw slavin betreft die van u worden uit de natiën welke ulieden omringen, uit hen moogt GIJ een slaaf en een slavin kopen. 45  En ook uit de zonen der bijwoners, die als vreemdelingen bij U vertoeven,+ uit hen moogt GIJ kopen, en uit hun families die bij U zijn, die hun in UW land geboren werden; en zij moeten UW bezit worden. 46  En GIJ moet hen als een erfenis aan UW zonen na U doorgeven, als een erfelijk bezit tot onbepaalde tijd.+ GIJ moogt hen als werkers gebruiken, maar UW broeders, de zonen van I̱sraël, moogt gij niet, de een de ander, met tirannie vertrappen.+ 47  Maar ingeval de hand van de inwonende vreemdeling of de bijwoner bij u vermogend wordt, en uw broeder verarmd is in zijn nabijheid en zich aan de inwonende vreemdeling of de bijwoner* bij u moet verkopen, of aan een lid van de familie van de inwonende vreemdeling, 48  zal, nadat hij zich heeft verkocht,+ het recht van terugkoop in zijn geval blijven gelden.+ Een van zijn broers mag hem terugkopen.+ 49  Of zijn oom of de zoon van zijn oom mag hem terugkopen, of enige bloedverwant van zijn vlees,+ een van zijn familie, mag hem terugkopen. Of indien zijn eigen hand vermogend is geworden, dan moet hij zichzelf terugkopen.+ 50  En hij moet met zijn koper een berekening maken vanaf het jaar dat hij zich aan hem heeft verkocht tot aan het jubeljaar,+ en het geld van zijn verkoop moet overeenkomen met het aantal jaren.+ Zoals de werkdagen van een loonarbeider worden berekend, dient hij bij hem te blijven.*+ 51  Indien het nog vele jaren zijn, dient hij naar gelang daarvan zijn terugkoopprijs te betalen van het geld waarvoor hij gekocht was. 52  Maar blijven er slechts weinig jaren over tot aan het jubeljaar,+ dan moet hij een berekening voor zichzelf maken. Naar gelang van zijn jaren dient hij zijn terugkoopprijs te betalen. 53  Hij dient als een loonarbeider+ van jaar tot jaar bij hem te blijven. Hij mag hem niet met tirannie voor uw ogen vertrappen.+ 54  Maar indien hij zich niet op deze voorwaarden kan terugkopen, dan moet hij in het jubeljaar [vrij] uitgaan,+ hij en zijn zonen met hem. 55  Want mij zijn de zonen van I̱sraël tot slaven. Zij zijn mijn slaven,+ die ik uit het land Egy̱pte heb geleid.+ Ik ben Jehovah, UW God.+

Voetnoten

„Sabbatjaren.” Lett.: „sabbatten van jaren.” Hebr.: sjab·bethothʹ sja·nimʹ; Lat.: eb·doʹma·des an·noʹrum, „weken van jaren”.
„Sabbatjaren.” Gr.: he·bdoʹma·des eʹton, „jaarweken”. Vgl. Da 9:24 vtn., „Weken”.
„Hoorn.” Hebr.: sjō·farʹ.
Lett.: „doorgaan.”
Of: „als heilig beschouwen.”
Of: „vrijlating [van slaven].”
„Jubeljaar.” Hebr.: jō·velʹ; Vgc(Lat.): iu·bi·laeʹus; LXX: „jaar van vrijlating.” In Ex 19:13 is jō·velʹ weergegeven met „ramshoorn”.
„Bij het kopen.” In het Hebr. is dit een ww. in de infinitivus absolutus. Vgl. Ex 20:8 vtn.
Hebr.: Jeho·wahʹ. Zie App. 1A.
Lett.: „dagen.” Vgl. vs. 30.
„Niet wordt teruggekocht”, Vg, wat overeenstemt met de betekenis van deze passage; MSam laten „niet” weg.
„Het huis dat in de stad . . . verkocht is”, in overeenstemming met LXX; M: „de verkoop van het huis en de stad.”
Lett.: „en zijn hand heeft gewankeld.”
„De inwonende vreemdeling of de bijwoner”, SamLXXSy en tien Hebr. hss.; M laat „of” weg.
D.w.z. in dienst te blijven.