Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004) 

Klaagliederen 1:1-22

א [ʼAʹlef]* 1*  O hoe eenzaam is zij komen te zitten,+ de stad die zo talrijk aan volk was!+ Hoe is zij als een weduwe geworden,+ zij die volkrijk was onder de natiën!+ Hoe is zij die een vorstin was onder de rechtsgebieden, tot dwangarbeid geraakt!+ ב [Bēth]   Hevig weent zij in de nacht,+ en haar tranen zijn op haar wangen.+ Zij heeft niemand die haar troost onder al haar minnaars.+ Zelfs al haar eigen metgezellen hebben trouweloos jegens haar gehandeld.+ Zij zijn haar tot vijanden geworden.+ ג [Giʹmel]   Ju̱da is in ballingschap gegaan wegens de ellende+ en wegens de overvloed van dienstbaarheid.+ Zijzelf heeft onder de natiën moeten wonen.+ Zij heeft geen rustplaats gevonden. Allen die haar vervolgden,* hebben haar te midden van benauwende omstandigheden ingehaald.+ ד [Daʹleth]   Si̱ons wegen treuren, omdat er niemand naar het feest komt.+ Al haar poorten liggen woest en verlaten;+ haar priesters zuchten.+ Haar maagden zijn met droefheid geslagen, en zijzelf heeft bitterheid.+ ה [Heʼ]   Haar tegenstanders zijn het hoofd geworden.+ Degenen die haar vijanden zijn, zijn onbekommerd.+ Omdat Jehovah zelf haar in droefheid heeft gedompeld wegens de overvloed van haar overtredingen,+ Hebben haar eigen kinderen als gevangenen voor de tegenstander uit gelopen.+ ו [Waw]   En van de dochter van Si̱on verdwijnt al haar pracht.+ Haar vorsten zijn als herten gebleken die geen weide hebben gevonden,+ En zij blijven zonder kracht voor de vervolger* uit lopen.+ ז [Zaʹjin]   Jeru̱zalem heeft [in] de dagen van haar ellende en van haar dakloze volk teruggedacht aan Al haar begeerlijke dingen die er bleken te zijn vanaf de dagen van weleer.+ Toen haar volk in de hand van de tegenstander viel en zij geen helper had,+ Zagen de tegenstanders haar. Zij lachten om haar ineenstorting.+ ח [Chēth]   Jeru̱zalem heeft openlijk zonde bedreven.+ Daarom is zij tot niets dan een voorwerp van afschuw geworden.+ Allen die haar eerden, hebben haar als iets goedkoops behandeld,+ want zij hebben haar naaktheid gezien.+ Zijzelf zucht+ eveneens en keert de rug. ט [Tēth]   Haar onreinheid is in haar zomen.+ Zij dacht niet aan haar toekomst,+ En op een verwonderlijke wijze gaat zij ten onder. Zij heeft geen trooster.+ O Jehovah, zie mijn ellende aan,+ want de vijand heeft een groot air aangenomen.+ י [Jōdh] 10  De tegenstander heeft zijn eigen hand uitgestrekt naar al haar begeerlijke dingen.+ Want zij heeft natiën gezien die in haar heiligdom zijn gekomen,+ Aan wie gij hadt geboden dat ze niet in de gemeente* zouden komen die u toebehoort. כ [Kaf] 11  Heel haar volk zucht; zij zoeken naar brood.+ Zij hebben hun begeerlijke dingen voor iets om te eten gegeven, ten einde de ziel* te verkwikken.+ Zie, o Jehovah, en kijk toch, want ik ben als een vrouw geworden die niets waard is.*+ ל [Laʹmedh] 12  Raakt het U niet, GIJ allen die langs de weg voorbijgaat? Kijkt en ziet.+ Bestaat er enige smart als mijn smart, die mij op hevige wijze is aangedaan,+ Waarmee Jehovah droefheid heeft veroorzaakt op de dag van zijn brandende toorn?+ מ [Mem] 13  Vanuit den hoge heeft hij vuur in mijn beenderen gezonden,+ en hij onderwerpt iedereen. Hij heeft een net uitgespreid voor mijn voeten.+ Hij heeft mij achterwaarts doen keren. Hij heeft mij gemaakt tot een vrouw die eenzaam en verlaten is. De gehele dag ben ik ziek.+ נ [Noen] 14  Hij is wakker gebleven ten aanzien van mijn overtredingen.+ In zijn hand vlechten ze zich ineen. Ze zijn op mijn hals geklommen.+ Mijn kracht is gestruikeld. Jehovah* heeft mij overgegeven in de hand van degenen tegen wie ik niet kan opstaan.+ ס [Saʹmekh] 15  Al mijn machtigen heeft Jehovah* uit mijn midden terzijde geworpen.+ Hij heeft tegen mij een samenkomst uitgeroepen, om mijn jonge mannen aan stukken te breken.+ Jehovah* heeft de wijnpers getreden,+ ja, die welke de maagdelijke dochter van Ju̱da toebehoort.+ ע [ʽAʹjin] 16  Over deze dingen ween ik als een vrouw.*+ Mijn oog, mijn oog stroomt van water.+ Want een trooster is ver van mij verwijderd, iemand die mijn ziel verkwikt. Mijn zonen zijn eenzaam en verlaten geworden,+ want de vijand heeft een groot air aangenomen.+ פ [Peʼ] 17  Si̱on heeft haar handen uitgebreid.+ Zij heeft geen trooster.+ Jehovah heeft aangaande Ja̱kob een bevel gegeven aan allen die rondom hem zijn als zijn tegenstanders.+ Jeru̱zalem is tot een voorwerp van afschuw onder hen geworden.+ צ [Tsa·dhēʹ] 18  Jehovah is rechtvaardig,+ want tegen zijn mond ben ik weerspannig geweest.+ Luistert nu, al GIJ volken, en ziet mijn smart. Mijn eigen maagden en mijn eigen jonge mannen zijn in gevangenschap gegaan.+ ק [Qōf] 19  Ik heb geroepen tot hen die mij intens liefhadden.+ Zelfs zij hebben mij bedrogen. In de stad hebben mijn eigen priesters en mijn eigen oude mannen de laatste adem uitgeblazen,+ Terwijl zij zich iets te eten moesten zoeken om hun ziel te verkwikken.+ ר [Rēsj] 20  Zie, o Jehovah, want ik verkeer erg in benauwdheid. Zelfs mijn ingewanden zijn in gisting.+ Mijn hart is in mijn binnenste omgekeerd,+ want ik ben absoluut weerspannig geweest.+ Buiten heeft het zwaard beroving van kinderen veroorzaakt.+ Binnenshuis is het als de dood.+ ש [Sjin] 21  Men heeft gehoord* hoe ikzelf zucht als een vrouw.+ Er is geen trooster voor mij.+ Ja, al mijn vijanden hebben van mijn rampspoed gehoord.+ Zij hebben zich uitbundig verheugd, omdat gijzelf [het] hebt gedaan.+ Gij zult stellig de dag doen komen die gij hebt uitgeroepen,+ opdat zij worden als ik.+ ת [Taw] 22  Moge al hun slechtheid voor uw aangezicht komen, en handel gestreng met hen,+ Net zoals gij gestreng met mij gehandeld hebt wegens al mijn overtredingen.+ Want mijn verzuchtingen zijn vele,+ en mijn hart is ziek.+

Voetnoten

Dit hfdst. is een klaaglied dat in de vorm van een acrostichon, d.w.z. naar de volgorde van het Hebr. alfabet, is opgesteld en uit 22 strofen bestaat, overeenkomstig de 22 Hebr. letters. De strofen beginnen met de opeenvolgende letters van het Hebr. alfabet, die stuk voor stuk boven de strofe vermeld staan. Vgl. Ps 119:1 vtnn.
LXX heeft de volgende inleiding: „En het geschiedde nadat Israël gevangengenomen en Jeruzalem verwoest was, dat Jeremia wenend neerzat en met dit klaaglied weeklaagde over Jeruzalem en zei.” In Vghss. luidt de inleiding: „En het geschiedde nadat Israël in gevangenschap weggevoerd en Jeruzalem verlaten was, dat de profeet Jeremia wenend neerzat en met dit klaaglied treurde over Jeruzalem en met een bitter gemoed zuchtend en weeklagend zei.” T heeft de volgende inleiding: „Jeremia, de profeet en grote priester, zei.”
Of: „achtervolgden.”
Of: „achtervolger.”
„In de gemeente.” Hebr.: vaq·qa·halʹ; Gr.: ek·kleʹsi·an; Lat.: ec·cleʹsi·am.
„Ziel.” Hebr.: naʹfesj; Lat.: aʹni·mam. Zie App. 4A.
Het Hebr. woord voor „die niets waard is”, staat in het vr. enk., alsof er een vrouw die de stad vertegenwoordigt aan het woord is.
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
Zie vs. 14 vtn.
Zie vs. 14 vtn.
Vgl. vs. 11 vtn., „Waard is”.
„Men heeft (Zij hebben) gehoord”, MVg; T: „Natiën hebben gehoord”; LXX: „Hoort toch”; Sy: „Hoor.”