Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Jozua 23:1-16

23  Nu geschiedde het vele dagen nadat Jehovah I̱sraël rust+ had gegeven van al hun vijanden rondom, toen Jo̱zua oud en vergevorderd in dagen was,+  dat Jo̱zua ertoe overging heel I̱sraël te roepen,+ zijn oudere mannen en zijn hoofden en zijn rechters en zijn beambten,+ waarop hij tot hen zei: „Wat mij betreft, ik ben oud geworden, ik ben vergevorderd in dagen.  En wat U aangaat, GIJ hebt gezien al wat Jehovah, UW God, ter wille van U met al deze natiën heeft gedaan,+ want Jehovah, UW God, streed zelf voor U.+  Ziet, ik heb U door het lot+ deze overige natiën toegewezen* als een erfdeel voor UW stammen, alsmede alle natiën die ik heb afgesneden,+ vanaf de Jorda̱a̱n* tot aan de Grote Zee tegen de ondergang der zon.+  En het was Jehovah, UW God, die hen steeds van voor UW aangezicht uitstootte,+ en hij heeft hen ter wille van U uit hun bezit verdreven, en GIJ hebt hun land in bezit genomen, juist zoals Jehovah, UW God, U had beloofd.+  En GIJ moet zeer moedig zijn+ om al wat er in het boek+ der wet van Mo̱zes staat geschreven, te onderhouden en te volbrengen, door er nooit van af te wijken, noch naar rechts noch naar links,+  door U nooit in te laten met deze natiën,+ deze die nog bij U overblijven. En GIJ moogt de naam van hun goden niet vermelden,+ noch daarbij zweren,+ en GIJ moogt ze niet dienen, noch U daarvoor neerbuigen.+  Maar Jehovah, UW God, dient GIJ aan te hangen,+ juist zoals GIJ tot op deze dag hebt gedaan.  En Jehovah zal grote en machtige natiën van voor UW aangezicht verdrijven.+ (Wat U aangaat, geen man heeft voor U kunnen standhouden tot op deze dag.+) 10  Slechts één man van U zal er duizend achtervolgen,+ want het is Jehovah, UW God, die voor U strijdt,+ juist zoals hij U heeft beloofd.+ 11  En GIJ moet voortdurend op UW hoede zijn+ met betrekking tot UW ziel,* door Jehovah, UW God, lief te hebben.+ 12  Maar indien GIJ U ook maar enigszins afkeert+ en GIJ het overschot van deze natiën,+ deze die nog bij U overblijven, wél aanhangt en GIJ werkelijk echtverbintenissen met hen aangaat+ en U met hen inlaat, en zij zich met U, 13  dan dient GIJ beslist te weten dat Jehovah, UW God, er niet mee zal voortgaan deze natiën ter wille van U uit hun bezit te verdrijven;+ en ze moeten U tot een val en een strik worden en tot een gesel in UW zijden+ en tot doorns in UW ogen, totdat GIJ vergaan zijt van deze goede bodem die Jehovah, UW God, U heeft gegeven.+ 14  Welnu, ziet! ik ga heden de weg van al het aardse,+ en GIJ weet zeer goed met geheel UW hart en met geheel UW ziel dat niet één woord van alle goede woorden die Jehovah, UW God, tot U gesproken heeft, onvervuld is gebleven. Alles is voor U uitgekomen. Geen woord daarvan is onvervuld gebleven.+ 15  En het moet geschieden dat net zoals ieder goed woord dat Jehovah, UW God, tot U heeft gesproken, over U is gekomen,+ zo zal Jehovah ieder kwaad woord over U brengen, totdat hij U heeft verdelgd van deze goede bodem die Jehovah, UW God, U heeft gegeven,+ 16  wegens UW overtreden van het verbond van Jehovah, UW God, dat hij U heeft geboden, en omdat GIJ andere goden zijt gaan dienen en U daarvoor hebt neergebogen.+ En Jehovah’s toorn zal stellig tegen U ontbranden,+ en GIJ zult stellig weldra vergaan uit het goede land dat hij U heeft gegeven.”+

Voetnoten

Lett.: „ik heb u deze . . . doen toevallen.” LXX: „ik heb deze . . . op u geworpen”; Vg: „hij heeft u door het lot . . . toebedeeld.”
Lett.: „deze overige natiën . . . als een erfdeel voor uw stammen vanaf de Jordaan, alsmede alle [andere] natiën die ik heb afgesneden.”
„Met betrekking tot uw ziel (uw leven; uzelf).” Hebr.: lenaf·sjo·thē·khem′, mv.; Syr.: benaf·sjekhoen.