Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jozua 22:1-34

22  In die tijd nu riep Jo̱zua de Rubenieten en de Gadieten en de halve stam Mana̱sse+  en zei tot hen: „Wat U aangaat, GIJ hebt U gehouden aan alles wat Mo̱zes, de knecht van Jehovah, U heeft geboden,+ en GIJ zijt gehoorzaam geweest aan mijn stem in alles wat ik U heb geboden.+  GIJ hebt UW broeders nu al vele dagen+ tot op deze dag niet verlaten, en GIJ hebt de plicht ten opzichte van het gebod van Jehovah, UW God, in acht genomen.+  En nu heeft Jehovah, UW God, UW broeders rust gegeven, juist zoals hij hun had beloofd.+ Keert nu dus terug en gaat naar UW tenten in het land van UW bezitting, dat Mo̱zes, de knecht van Jehovah, U aan de overzijde van de Jorda̱a̱n heeft gegeven.+  Alleen, volbrengt zeer zorgvuldig het gebod+ en de wet die Mo̱zes, de knecht van Jehovah, U geboden heeft, door Jehovah, UW God, lief te hebben+ en door al zijn wegen te bewandelen+ en door zijn geboden te onderhouden+ en door hem aan te hangen+ en door hem met geheel UW hart+ en met geheel UW ziel+ te dienen.”+  Daarop zegende+ Jo̱zua hen en zond hen heen opdat zij naar hun tenten* konden gaan.  En aan de halve stam Mana̱sse had Mo̱zes een schenking gedaan in Ba̱san,+ en aan de andere helft daarvan deed Jo̱zua een schenking bij hun broeders aan de zijde van de Jorda̱a̱n tegen het westen.+ Toen Jo̱zua hen dan ook heenzond naar hun tenten, zegende hij hen voorts.  En hij zei verder tot hen: „Keert terug naar UW tenten met veel rijkdommen en met zeer veel vee, met zilver en goud en koper en ijzer en kleren in zeer grote hoeveelheid.+ Neemt met UW broeders UW aandeel in de buit+ van UW vijanden.”  Daarop keerden de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de halve stam Mana̱sse terug en zij trokken weg van de andere zonen van I̱sraël, uit Si̱lo, dat in het land Ka̱naän ligt, om naar het land Gi̱lead+ te gaan, naar het land van hun bezitting, waarin zij zich op Jehovah’s door bemiddeling van Mo̱zes gegeven bevel hadden gevestigd.+ 10  Toen zij nu in de landstreken van de Jorda̱a̱n waren gekomen die in het land Ka̱naän lagen, bouwden de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de halve stam Mana̱sse daar voorts een altaar bij de Jorda̱a̱n, een in het oog vallend groot altaar.+ 11  Later hoorden+ de andere zonen van I̱sraël dat er gezegd werd: „Zie! De zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de halve stam Mana̱sse hebben aan de grens van het land Ka̱naän, in de landstreken van de Jorda̱a̱n, aan de kant die de zonen van I̱sraël toebehoort, een altaar gebouwd.” 12  Zodra de zonen van I̱sraël dit hoorden, kwam de hele vergadering der zonen van I̱sraël+ te Si̱lo+ bijeen om op te trekken ten einde een militaire actie tegen hen te voeren.+ 13  Toen zonden+ de zonen van I̱sraël Pi̱nehas,+ de zoon van Elea̱zar, de priester, naar de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de halve stam Mana̱sse in het land Gi̱lead, 14  en met hem tien oversten, één overste van elk vaderlijk huis van alle stammen van I̱sraël, en zij waren ieder een hoofd van het huis van hun vaderen onder de duizenden van I̱sraël.+ 15  Na verloop van tijd kwamen zij bij de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de halve stam Mana̱sse in het land Gi̱lead en spraken toen met hen+ en zeiden: 16  „Dit heeft de hele vergadering van Jehovah+ gezegd: ’Wat is dit voor een daad+ van ontrouw die GIJ tegen de God van I̱sraël hebt begaan, dat GIJ U heden van het volgen van Jehovah afkeert+ doordat GIJ een altaar voor U bouwt,+ om heden weerspannig tegen Jehovah te zijn? 17  Was de dwaling van Pe̱or+ ons te gering, waarvan wij ons tot op deze dag nog niet hebben gereinigd, ofschoon de plaag over de vergadering van Jehovah kwam?+ 18  En GIJ — GIJ zoudt U heden van het volgen van Jehovah afkeren; en het moet geschieden dat zo GIJ, van UW kant, heden weerspannig zijt tegen Jehovah, dan zal hij morgen verontwaardigd zijn op de gehele vergadering van I̱sraël.+ 19  Indien nu het land van UW bezitting werkelijk onrein is,+ komt dan over naar het land van Jehovah’s bezitting,+ waar de tabernakel van Jehovah heeft vertoefd,+ en vestigt U in ons midden; en zijt niet weerspannig tegen Jehovah en maakt van ons geen weerspannelingen doordat GIJ een altaar voor U bouwt buiten het altaar van Jehovah, onze God.+ 20  Heeft niet A̱chan,+ de zoon van Ze̱ra, een daad van ontrouw begaan met betrekking tot datgene wat aan de vernietiging was prijsgegeven, en was het niet jegens de hele vergadering van I̱sraël dat er verontwaardiging is losgebarsten?+ En hij was niet de enige man die in zijn dwaling de laatste adem moest uitblazen.’”+ 21  Hierop antwoordden+ de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de halve stam Mana̱sse en spraken met de hoofden van de duizenden van I̱sraël:+ 22  „[De] Goddelijke,+ God,+ Jehovah, [de] Goddelijke, God, Jehovah,*+ hij weet [het],+ en I̱sraël zelf zal [het] ook weten.+ Indien het uit weerspannigheid* is+ en indien het uit ontrouw jegens Jehovah is,+ red ons heden niet. 23  Indien* het was om een altaar voor ons te bouwen ten einde ons van het volgen van Jehovah af te keren, en indien het was om daarop brandoffers en graanoffers te brengen,+ en indien het was om daarop gemeenschapsoffers op te dragen, zal Jehovah zelf het uitvorsen;+ 24  of indien wij dit niet veeleer uit angstige bezorgdheid voor iets anders hebben gedaan, doordat wij zeiden: ’Op een toekomstige dag zullen UW zonen tot onze zonen zeggen: „Wat hebt GIJ te maken met Jehovah,* de God van I̱sraël? 25  En er is een grens die Jehovah tussen ons en U, de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad, heeft gesteld, namelijk de Jorda̱a̱n. GIJ hebt geen deel aan Jehovah.”+ En UW zonen zullen stellig onze zonen doen ophouden Jehovah te vrezen.’+ 26  Daarom zeiden wij: ’Laten wij toch handelend optreden ten behoeve van onszelf door het altaar te bouwen, niet voor brandoffer, noch voor slachtoffer, 27  maar om een getuige te zijn tussen ons+ en U en onze geslachten na ons, dat wij de dienst* van Jehovah voor zijn aangezicht zullen verrichten met onze brandoffers en onze slachtoffers en onze gemeenschapsoffers,+ opdat UW zonen op een toekomstige dag niet tot onze zonen zeggen: „GIJ hebt geen deel aan Jehovah.”’ 28  Dus zeiden wij: ’En het moet geschieden dat ingeval zij dat op een toekomstige dag tot ons en tot onze geslachten zouden zeggen, wij dan moeten zeggen: „Ziet het evenbeeld van Jehovah’s altaar, dat onze vaderen hebben gemaakt, niet voor brandoffer, noch voor slachtoffer, maar het is een getuige tussen ons en U.”’ 29  Het is ondenkbaar van onze zijde, uit eigen beweging weerspannig te zijn tegen Jehovah en ons heden van het volgen van Jehovah af te keren+ door een altaar voor brandoffer, graanoffer en slachtoffer te bouwen buiten het altaar van Jehovah, onze God, dat voor zijn tabernakel staat!”+ 30  Toen nu de priester Pi̱nehas+ en de oversten van de vergadering+ en de hoofden van de duizenden van I̱sraël, die met hem waren, de woorden hoorden die de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de zonen van Mana̱sse spraken, was het goed in hun ogen. 31  Daarom zei Pi̱nehas, de zoon van Elea̱zar, de priester, tot de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad en de zonen van Mana̱sse: „Waarlijk, heden weten wij dat Jehovah in ons midden is,+ omdat GIJ deze daad van ontrouw niet tegen Jehovah hebt begaan. Nu hebt GIJ de zonen van I̱sraël uit de hand van Jehovah bevrijd.”+ 32  Daarop keerden Pi̱nehas, de zoon van Elea̱zar, de priester, en de oversten terug+ van de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad in het land Gi̱lead naar het land Ka̱naän, naar de andere zonen van I̱sraël, en zij brachten hun verslag uit.+ 33  Het woord dan was goed in de ogen van de zonen van I̱sraël; voorts zegenden de zonen van I̱sraël God,+ en zij spraken er niet over om met een leger tegen hen op te trekken ten einde het land waarin de zonen van Ru̱ben en de zonen van Gad woonden, te verderven. 34  De zonen van Ru̱ben dan en de zonen van Gad gaven het altaar een naam,* want „het is een getuige tussen ons dat Jehovah de [ware] God+ is”.

Voetnoten

Of: „huizen.”
Of: „De God der goden, Jehovah, de God der goden, Jehovah.” Hebr.: ʼEl ׀ ʼElo·himʹ ׀ Jehwahʹ, ʼEl ׀ ʼElo·himʹ ׀ Jehwahʹ, met de verdeelstreep (pa·seqʹ) tussen de woorden. Deze uitdr. ʼEl ʼElo·himʹ Jehwahʹ komt, niet herhaald, in Ps 50:1 voor. Lat.: For·tisʹsi·mus Deʹus Doʹmi·nus, For·tisʹsi·mus Deʹus Doʹmi·nus, „De machtigste (sterkste) God, Jehovah, de machtigste (sterkste) God, Jehovah”. Het eerste woord, ʼEl, van de Hebr. uitdr. hebben wij met „Goddelijke” weergegeven. Het kan ook worden weergegeven met „God; Machtige (Sterke)”.
„Weerspannigheid”, M; Gr.: a·po·staʹsi·ai, „afval”, van het ww. a·fi·steʹmi, „afstand nemen van”; het zn. betekent ook „verlating; verzaking; opstand”. Zie 2Kr 29:19 vtn.; Han 21:21 vtn.; 2Th 2:3 vtn., „Afval”.
„En indien”, LXXVg; M laat het weg.
Of: „Wat hebt gij gemeen met Jehovah?” Lett.: „Wat [is er] voor u en voor Jehovah?” Een Hebr. idioom; een afwijzende vraag waarmee bezwaar kenbaar wordt gemaakt. Zie App. 7B.
Of: „het onderdeel van aanbidding.” Hebr.: ʽavo·dhathʹ; Gr.: la·treiʹan, „heilige dienst”. Vgl. Ex 3:12 vtn.
Naar de gegeven verklaring te oordelen, werd het altaar vermoedelijk Getuige genoemd. Sy voegt toe: „het altaar der getuigenis.”