Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jona 3:1-10

3  Het woord van Jehovah kwam nu voor de tweede maal tot Jo̱na en luidde:+  „Sta op, ga naar Ni̱nevé, de grote stad, en doe haar de afkondiging toekomen+ die ik tot u spreek.”  Toen stond Jo̱na op en ging naar Ni̱nevé, overeenkomstig het woord van Jehovah.*+ Ni̱nevé nu bleek een voor God grote* stad te zijn,+ van drie dagen gaans.  Ten slotte dan begon Jo̱na de stad één dag gaans binnen te trekken, en hij bleef afkondigen en zeggen: „Nog maar veertig dagen en Ni̱nevé zal ondersteboven worden gekeerd.”+  En de mannen* van Ni̱nevé gingen geloof stellen in God,+ en zij kondigden voorts een vasten af en deden zakken aan,+ van de grootste onder hen tot zelfs de geringste onder hen.  Toen het woord de koning van Ni̱nevé bereikte,+ stond hij vervolgens op van zijn troon en ontdeed zich van zijn ambtsgewaad en bedekte zich met een zak en ging in de as zitten.+  Bovendien liet hij omroepen en in Ni̱nevé op last van de koning en zijn groten aldus zeggen: „Geen mens en geen huisdier, geen rundvee en geen kleinvee, dient ook maar iets te proeven. Niemand dient voedsel [tot zich] te nemen. Zelfs water mogen zij niet drinken.+  En laten zij zich met zakken bedekken, mens en huisdier; en laten zij uit alle macht tot God roepen en zich afkeren,+ een ieder van zijn slechte weg en van het geweld dat aan hun handen kleefde.  Wie weet of de [ware] God zich zal omwenden en werkelijk spijt zal gevoelen+ en zich zal afkeren van zijn brandende toorn, zodat wij niet vergaan?”+ 10  De [ware] God dan zag hun werken,+ dat zij zich van hun slechte weg hadden afgekeerd;+ en dus gevoelde de [ware] God spijt+ over de rampspoed die hij gezegd had hun te zullen aandoen; en hij deed [het] niet.+

Voetnoten

Zie App. 1C (3).
Of: „een buitengewoon grote; een goddelijk grote.” Hebr.: gedhō·lahʹ lEʼ·lo·himʹ; Gr.: meʹga·le toi Theʹoi. Vgl. de uitdr. „goddelijk schoon” in Han 7:20 en zie vtn. aldaar.
Zie 1:10 vtn.