Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Johannes 7:1-53

7  Na deze dingen nu bleef Jezus in Galile̱a rondwandelen, want hij wilde niet in Jude̱a rondwandelen, omdat de joden hem zochten te doden.+  Het feest der joden, het loofhuttenfeest,+ was echter nabij.  Daarom zeiden zijn broers+ tot hem: „Vertrek van hier en ga naar Jude̱a, opdat ook uw discipelen de werken kunnen aanschouwen die gij doet.  Want niemand doet iets in het verborgen, als hijzelf de openbaarheid zoekt. Indien gij deze dingen doet, maak u dan aan de wereld openbaar.”  Zijn broers+ oefenden in werkelijkheid geen geloof in hem.+  Daarom zei Jezus tot hen: „Mijn bestemde tijd is er nog niet,+ maar UW bestemde tijd is altijd daar.  De wereld heeft geen reden U te haten, maar ze haat mij, omdat ik getuigenis betreffende haar afleg dat haar werken goddeloos zijn.+  Gaat GIJ op naar het feest; ik ga nog niet op naar dit feest, omdat mijn bestemde tijd+ nog niet volledig is gekomen.”+  Nadat hij dan deze dingen tot hen had gezegd, bleef hij in Galile̱a. 10  Toen echter zijn broers naar het feest waren opgegaan, ging hijzelf ook op, niet openlijk, maar als in het verborgen.+ 11  De joden gingen hem daarom op het feest zoeken+ en zeiden: „Waar is die [man]?” 12  En er werd op gedempte toon veel over hem gesproken onder de scharen.+ Sommigen zeiden: „Hij is een goed mens.” Anderen zeiden: „Dat is hij niet, maar hij misleidt de schare.” 13  Niemand sprak natuurlijk in het openbaar over hem, uit vrees voor de joden.+ 14  Toen nu het feest reeds half voorbij was, begaf Jezus zich naar de tempel en ging er onderwijzen.+ 15  De joden dan verwonderden zich en zeiden: „Hoe kan deze man zo geleerd zijn,+ terwijl hij niet op de scholen heeft gestudeerd?”*+ 16  Daarop antwoordde Jezus hun en zei: „Wat ik leer, is niet van mij, maar behoort hem toe die mij heeft gezonden.+ 17  Indien iemand Zijn wil wenst te doen, zal hij betreffende deze leer weten of ze uit God is+ of dat ik uit mijzelf spreek. 18  Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen heerlijkheid; wie daarentegen de heerlijkheid+ zoekt van degene die hem heeft gezonden, die is waarachtig, en er is geen onrechtvaardigheid in hem. 19  Heeft Mo̱zes U niet de Wet gegeven?+ Maar niemand van U gehoorzaamt de Wet. Waarom zoekt GIJ mij te doden?”+ 20  De schare antwoordde: „Gij hebt een demon.*+ Wie zoekt u te doden?” 21  Jezus gaf hun ten antwoord: „Eén daad heb ik verricht+ en allen staat GIJ verwonderd. 22  Daarom heeft Mo̱zes U de besnijdenis+ gegeven — niet dat ze van Mo̱zes afkomstig is, want ze komt van de voorvaders+ — en GIJ besnijdt een mens op een sabbat. 23  Als een mens op een sabbat de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mo̱zes niet wordt overtreden, zijt GIJ dan hevig vertoornd op mij omdat ik op een sabbat een mens volkomen gezond heb gemaakt?+ 24  Oordeelt niet langer naar het uiterlijke aanzien, maar velt een rechtvaardig oordeel.”+ 25  Toen zeiden sommigen van de inwoners van Jeru̱zalem: „Is dit niet de man die zij zoeken te doden?+ 26  En zie nu eens, hij staat in het openbaar te spreken,+ en zij zeggen hem niets. Zouden de regeerders soms met zekerheid te weten zijn gekomen dat dit de Christus is?+ 27  Wij weten daarentegen waar deze man vandaan is;+ wanneer echter de Christus komt, zal niemand weten waar hij vandaan komt.”+ 28  Daarom riep Jezus, terwijl hij in de tempel onderwees, uit en zei: „GIJ kent mij en ook weet GIJ waar ik vandaan ben.+ Bovendien ben ik niet uit eigen beweging gekomen,+ maar hij die mij gezonden heeft, bestaat werkelijk,+ en GIJ kent hem niet.+ 29  Ik ken hem,+ omdat ik een vertegenwoordiger van hem ben, en Hij heeft mij uitgezonden.”+ 30  Zij zochten hem dan te grijpen,+ maar niemand sloeg de hand aan hem, omdat zijn uur+ nog niet was gekomen. 31  Toch stelden velen van de schare geloof in hem;+ en zij begonnen te zeggen: „Wanneer de Christus gekomen is, zal hij dan soms meer tekenen verrichten+ dan deze man heeft verricht?” 32  De Farizeeën hoorden dat de schare deze dingen over hem mompelde, en de overpriesters en de Farizeeën zonden beambten uit om hem te grijpen.+ 33  Jezus dan zei: „Nog een korte tijd blijf ik bij U en dan ga ik naar hem die mij heeft gezonden.+ 34  GIJ zult mij zoeken,+ maar GIJ zult mij niet vinden, en waar ik ben, kunt GIJ niet komen.”+ 35  Daarom zeiden de joden onder elkaar: „Waarheen is deze [man] van plan te gaan, zodat wij hem niet zullen vinden? Hij is toch niet van plan naar de [joden] te gaan die onder de Grieken verstrooid zijn*+ en de Grieken te onderwijzen? 36  Wat betekent dit gezegde, dat hij zei: ’GIJ zult mij zoeken, maar GIJ zult mij niet vinden, en waar ik ben, kunt GIJ niet komen’?” 37  Op de laatste dag nu, de grote dag van het feest,+ stond Jezus daar, en hij riep uit en zei: „Indien iemand dorst heeft,+ hij kome tot mij en drinke. 38  Wie geloof in mij stelt,+ zoals de Schrift heeft gezegd: ’Uit zijn binnenste zullen stromen van levend water vloeien.’”+ 39  Hij zei dit echter betreffende de geest, welke zij die geloof in hem stelden, weldra zouden ontvangen; want er was nog geen geest,+ omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.+ 40  Daarom zeiden toen sommigen van de schare, die deze woorden hoorden: „Dit is stellig De Profeet.”+ 41  Anderen zeiden: „Dit is de Christus.”+ Maar sommigen zeiden: „De Christus+ komt toch feitelijk niet uit Galile̱a?+ 42  Heeft de Schrift niet gezegd dat de Christus uit het nageslacht van Da̱vid komt,+ en uit Be̱thlehem,+ het dorp waar Da̱vid gewoonlijk was?”+ 43  Daarom ontstond er onder de schare verdeeldheid over hem.+ 44  Sommigen van hen echter wilden hem grijpen, maar niemand sloeg de hand aan hem. 45  De beambten gingen daarom naar de overpriesters en Farizeeën terug, en de laatsten zeiden tot hen: „Waarom hebt GIJ hem niet meegebracht?” 46  De beambten antwoordden: „Nooit heeft iemand [anders] op deze wijze gesproken.”+ 47  Waarop de Farizeeën antwoordden: „Zijt GIJ soms ook misleid? 48  Heeft soms een van de regeerders of van de Farizeeën geloof in hem gesteld?+ 49  Maar deze schare, die de Wet niet kent, vervloekt zijn zij.”+ 50  Nikode̱mus, die bij een vroegere gelegenheid bij hem was gekomen en die een van hen was, zei tot hen: 51  „Onze wet oordeelt een mens toch niet zonder hem eerst te hebben gehoord+ en te hebben vernomen wat hij doet?” 52  Zij gaven hem ten antwoord: „Zijt gij soms ook uit Galile̱a? Onderzoek en zie dat uit Galile̱a geen enkele profeet+ wordt verwekt.” In de handschriften אBSys wordt het gedeelte van vers 53 tot en met hoofdstuk 8 vers 11 weggelaten, welke verzen (met enkele afwijkingen in de verschillende Griekse teksten en vertalingen) als volgt luiden: 53  Toen ging een ieder van hen naar zijn huis.

Voetnoten

Of: „terwijl hij niet . . . geleerd heeft.”
Of: „Gij zijt door een demon bezeten.”
„De [joden] . . . die . . . verstrooid zijn.” Lett.: „[de] verstrooiing.” Gr.: di·aʹspo·ran.