Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Johannes 6:1-71

6  Na deze dingen vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galile̱a of Tibe̱rias.+  Maar een grote schare bleef hem volgen, omdat zij de tekenen zagen die hij aan de zieken verrichtte.+  Daarom ging Jezus een berg op+ en zat daar neer met zijn discipelen.  Nu was het Pascha,+ het feest der joden, nabij.  Toen Jezus dan zijn ogen opsloeg en bemerkte dat er een grote schare naar hem toe kwam, zei hij tot Fili̱ppus: „Waar zullen wij broden kopen, zodat zij kunnen eten?”+  Dit zei hij echter om hem op de proef te stellen, want zelf wist hij wat hij ging doen.  Fili̱ppus antwoordde hem: „Tweehonderd denarii* aan broden is niet genoeg voor hen, ook al zou ieder maar weinig krijgen.”+  Een van zijn discipelen, Andre̱as, de broer van Si̱mon Pe̱trus, zei tot hem:  „Er is hier een jongetje dat vijf gerstebroden+ en twee visjes heeft. Maar wat is dit onder zo velen?”+ 10  Jezus zei: „LAAT de mensen aanliggen zoals bij een maaltijd.”+ Nu was er veel gras op die plaats. De mannen dan lagen aan, ongeveer vijfduizend in getal.+ 11  Toen nam Jezus de broden, en na een dankgebed te hebben uitgesproken, deelde hij ze uit aan hen die aanlagen; evenzo ook de visjes, zoveel zij er maar van wilden.+ 12  Toen zij echter verzadigd waren,+ zei hij tot zijn discipelen: „Verzamelt de overgebleven brokken, opdat er niets verloren gaat.” 13  Zij verzamelden die dus en vulden twaalf manden met brokken van de vijf gerstebroden, welke door hen die hadden gegeten, waren overgelaten.+ 14  Toen de mensen derhalve de tekenen zagen die hij verrichtte, zeiden zij voorts: „Dit is stellig de profeet+ die in de wereld zou komen.” 15  Daar Jezus nu wist dat zij wilden komen en hem wilden grijpen om hem koning te maken, trok hij zich weer op de berg terug,+ geheel alleen. 16  Toen het avond werd, daalden zijn discipelen af naar de zee,+ 17  en nadat zij in een boot waren gestapt, zetten zij koers naar de overkant van de zee, in de richting van Kape̱rnaüm. Het was nu reeds donker geworden en Jezus was nog niet bij hen gekomen. 18  Ook werd de zee opgezweept omdat er een sterke wind waaide.+ 19  Toen zij echter ongeveer vijf of zes kilometer* hadden geroeid, zagen zij Jezus op de zee lopen en dicht bij de boot komen; en zij werden bevreesd.+ 20  Maar hij zei tot hen: „Ik ben het; vreest niet!”+ 21  Daarom waren zij bereid hem in de boot op te nemen, en vlak daarop kwam de boot aan land, precies daar waarheen zij trachtten te gaan.+ 22  De volgende dag zag de schare die aan de andere kant van de zee stond, dat daar alleen maar een kleine boot was, en geen andere, en dat Jezus niet met zijn discipelen in de boot was gegaan, maar dat alleen zijn discipelen waren vertrokken; 23  er kwamen echter boten uit Tibe̱rias dicht bij de plaats waar zij, nadat de Heer* het dankgebed had uitgesproken, het brood hadden gegeten. 24  Toen de schare daarom zag dat Jezus daar niet was, en evenmin zijn discipelen, stapten zij in hun bootjes en kwamen naar Kape̱rnaüm om Jezus te zoeken.+ 25  Toen zij hem dan aan de overkant van de zee vonden, zeiden zij tot hem: „Rabbi,+ wanneer zijt gij hier gekomen?” 26  Jezus antwoordde hun en zei: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: GIJ zoekt mij niet omdat GIJ tekenen hebt gezien, maar omdat GIJ van de broden hebt gegeten en verzadigd zijt geworden.+ 27  Werkt niet voor het voedsel dat vergaat,+ maar voor het voedsel dat blijft voor het eeuwige leven,+ dat de Zoon des mensen U zal geven; want op hem heeft de Vader, ja God, zijn zegel [van goedkeuring] gedrukt.”+ 28  Daarom zeiden zij tot hem: „Wat zullen wij doen om de werken van God te werken?” 29  Jezus gaf hun ten antwoord: „Dit is het werk van God, dat GIJ geloof+ oefent in hem die Hij uitgezonden heeft.”+ 30  Daarom zeiden zij tot hem: „Wat verricht gij dan als teken,+ opdat wij [het] kunnen zien en u geloven? Wat voor werk doet gij? 31  Onze voorvaders hebben het manna+ gegeten in de wildernis, zoals er geschreven staat: ’Hij gaf hun brood uit de hemel te eten.’”+ 32  Jezus dan zei tot hen: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Niet Mo̱zes heeft U het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader geeft U het ware brood uit de hemel.+ 33  Want het brood van God is degene die uit de hemel neerdaalt en leven aan de wereld geeft.” 34  Daarom zeiden zij tot hem: „Heer, geef ons altijd dit brood.”+ 35  Jezus zei tot hen: „Ik ben het brood des levens. Wie tot mij komt, zal geen honger meer krijgen, en wie geloof in mij oefent, zal nooit meer dorst krijgen.+ 36  Maar ik heb tot U gezegd: GIJ hebt mij* gezien en toch gelooft GIJ niet.+ 37  Al wat de Vader mij geeft, zal tot mij komen, en wie tot mij komt, zal ik geenszins verdrijven;+ 38  want ik ben niet uit de hemel neergedaald+ om mijn wil te doen, maar de wil van hem die mij heeft gezonden.+ 39  Dit is de wil van hem die mij heeft gezonden, dat ik niets van al wat hij mij heeft gegeven, verloren laat gaan, maar dat ik het op de laatste dag [uit de dood] opwek.+ 40  Want dit is de wil van mijn Vader, dat een ieder die de Zoon aanschouwt en geloof in hem oefent, eeuwig leven moge hebben,+ en ik zal hem op de laatste dag [uit de dood] opwekken.”+ 41  De joden dan gingen over hem murmureren, omdat hij gezegd had: „Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald”;+ 42  en zij zeiden voorts:+ „Is dit niet Jezus, de zoon van Jo̱zef,+ wiens vader en moeder wij kennen? Hoe kan hij dan nu zeggen: ’Ik ben uit de hemel neergedaald’?” 43  Jezus gaf hun ten antwoord: „Houdt ermee op onder elkaar te murmureren. 44  Niemand kan tot mij komen tenzij de Vader, die mij heeft gezonden, hem trekt;+ en ik zal hem op de laatste dag [uit de dood] opwekken.+ 45  Er staat geschreven in de Profeten: ’En zij zullen allen door Jehovah* worden onderwezen.’*+ Een ieder die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot mij.+ 46  Niet dat iemand de Vader heeft gezien,+ behalve hij die van God afkomstig is; die heeft de Vader gezien.+ 47  Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Wie gelooft, heeft eeuwig leven.+ 48  Ik ben het brood+ des levens. 49  UW voorvaders hebben in de wildernis het manna gegeten+ en zijn niettemin gestorven. 50  Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat een ieder ervan kan eten en niet zal sterven. 51  Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid; en inderdaad, het brood dat ik zal geven, is mijn vlees+ ten behoeve van het leven der wereld.”+ 52  Toen gingen de joden onder elkaar twisten en zeiden: „Hoe kan deze man ons zijn vlees te eten geven?” 53  Derhalve zei Jezus tot hen: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Indien GIJ het vlees+ van de Zoon des mensen niet eet en zijn bloed+ niet drinkt, hebt GIJ geen leven+ in UZELF. 54  Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en ik zal hem op de laatste dag [uit de dood] opwekken;+ 55  want mijn vlees is waar voedsel en mijn bloed is ware drank. 56  Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, blijft in eendracht met mij* en ik in eendracht met hem.+ 57  Evenals de levende+ Vader mij heeft uitgezonden en ik leef vanwege de Vader, zo ook hij die zich met mij voedt, ja ook hij zal leven vanwege mij.+ 58  Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals toen UW voorvaders aten en toch zijn gestorven. Wie zich met dit brood voedt, zal in eeuwigheid leven.”+ 59  Deze dingen zei hij toen hij in een openbare vergadering te Kape̱rnaüm onderwees. 60  Toen velen van zijn discipelen dit daarom hoorden, zeiden zij: „Deze rede is aanstootgevend; wie kan ernaar luisteren?”+ 61  Maar Jezus, die bij zichzelf wist dat zijn discipelen hierover murmureerden, zei tot hen: „Wordt GIJ hierdoor tot struikelen gebracht?+ 62  Wat dan wel, indien GIJ de Zoon des mensen zoudt zien opstijgen tot waar hij tevoren was?+ 63  Het is de geest die levengevend is;+ het vlees is volstrekt van geen nut. De woorden die ik tot U heb gesproken, zijn* geest+ en zijn leven.+ 64  Maar er zijn sommigen onder U, die niet geloven.” Jezus wist namelijk van [het] begin af wie het waren die niet geloofden en wie het was die hem zou verraden.+ 65  Derhalve zei hij verder: „Daarom heb ik U gezegd: Niemand kan tot mij komen, tenzij het hem door de Vader gegeven is.”+ 66  Ten gevolge hiervan keerden velen van zijn discipelen zich tot de dingen die zij hadden achtergelaten+ en wandelden voortaan niet meer met hem.+ 67  Daarom zei Jezus tot de twaalf: „Wilt ook GIJ niet heengaan?” 68  Si̱mon Pe̱trus+ antwoordde hem: „Heer, tot wie zullen wij heengaan?+ Gij hebt woorden van eeuwig leven;+ 69  en wij hebben geloofd en zijn te weten gekomen dat gij de Heilige Gods zijt.”+ 70  Jezus antwoordde hun: „Heb ik niet U twaalf uitgekozen?+ Toch is een van U een lasteraar.”*+ 71  Hij sprak in werkelijkheid van Ju̱das, [de zoon] van Si̱mon Iska̱riot; want deze zou hem verraden,+ ofschoon hij één van de twaalf was.

Voetnoten

Een denarius was een Romeinse zilvermunt die 3,85 g woog.
Lett.: „ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën.” Een stadie was gelijk aan een achtste van een Romeinse mijl, 185 m.
Of: „Meester.”
„Mij”, P66,75BD; אASyc,s laten het weg.
Zie App. 1D.
Of: „door Jehovah onderwezenen zijn.”
„In eendracht met mij.” Of: „in mij.” Gr.: en eʹmoi.
Of: „betekenen.” Zie Mt 12:7 vtn.
Of: „is . . . een duivel.” Gr.: di·aʹbo·los eʹstin.