Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Johannes 20:1-31

20  Op de eerste dag+ van de week kwam Mari̱a Magdale̱na vroeg, terwijl het nog donker was, bij het herinneringsgraf en zag dat de steen reeds van het herinneringsgraf was weggenomen.+  Daarom snelde zij heen en kwam bij Si̱mon Pe̱trus en bij de andere discipel,+ voor wie Jezus genegenheid had, en zei tot hen: „Ze hebben de Heer* uit het herinneringsgraf+ weggenomen, en wij weten niet waar ze hem hebben gelegd.”  Daarop gingen Pe̱trus+ en de andere discipel op weg naar het herinneringsgraf.  Ja, de twee snelden samen weg, maar de andere discipel snelde Pe̱trus met grotere vaart vooruit en kwam het eerst bij het herinneringsgraf aan.  En zich vooroverbukkend, zag hij de windsels liggen,+ maar hij ging niet naar binnen.  Toen kwam ook Si̱mon Pe̱trus, die hem volgde, en hij ging het herinneringsgraf binnen. En hij zag de windsels liggen,+  ook de doek die op zijn hoofd was geweest, niet bij de windsels liggend, maar afzonderlijk opgerold op één plaats.  Toen ging daarom ook de andere discipel, die het eerst bij het herinneringsgraf was aangekomen, naar binnen, en hij zag en geloofde.  Want zij onderscheidden nog niet de schriftplaats dat hij uit de doden moest opstaan.+ 10  Daarop gingen de discipelen naar huis terug. 11  Maar Mari̱a bleef buiten bij het herinneringsgraf staan wenen. Toen bukte zij zich al wenend voorover om in het herinneringsgraf te kijken, 12  en zij zag op de plaats waar Jezus’ lichaam had gelegen, twee in het wit geklede engelen+ zitten, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde. 13  En zij zeiden tot haar: „Vrouw, waarom weent gij?” Zij zei tot hen: „Ze hebben mijn Heer weggenomen, en ik weet niet waar ze hem hebben gelegd.” 14  Nadat zij deze dingen had gezegd, wendde zij zich achterwaarts en zag Jezus staan, maar zij onderscheidde niet dat het Jezus was.+ 15  Jezus zei tot haar: „Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij?”+ In de mening dat het de tuinman was, zei ze tot hem: „Heer, mocht gij hem hebben weggedragen, zeg mij dan waar gij hem hebt gelegd, en ik zal hem wegnemen.” 16  Jezus zei tot haar: „Mari̱a!”+ Zij keerde zich om en zei tot hem in het Hebreeuws: „Rabboni!”*+ (wat „Leraar!” betekent). 17  Jezus zei tot haar: „Klem u niet langer aan mij vast. Want ik ben nog niet naar de Vader opgestegen. Maar ga naar mijn broeders+ en zeg hun: ’Ik stijg op naar mijn Vader+ en UW Vader en naar mijn God+ en UW God.’”+ 18  Mari̱a Magdale̱na ging het nieuws aan de discipelen brengen: „Ik heb de Heer gezien!”, en dat hij deze dingen tot haar had gezegd.+ 19  Toen het dan laat was op die dag, de eerste dag van de week,+ en ofschoon de deuren van de verblijfplaats der discipelen op slot waren uit vrees+ voor de joden, kwam Jezus+ en stond in hun midden en zei tot hen: „Vrede zij U.”+ 20  En na dit te hebben gezegd, toonde hij hun zowel zijn handen als zijn zijde.+ De discipelen dan verheugden+ zich toen zij de Heer zagen. 21  Jezus zei daarom nogmaals tot hen: „Vrede zij U. Zoals de Vader mij heeft uitgezonden,+ zend ik ook U.”+ 22  En na dit te hebben gezegd, blies hij op hen en zei tot hen: „Ontvangt heilige geest.+ 23  Indien GIJ de zonden van wie maar ook vergeeft,+ zijn ze hun vergeven; indien GIJ [de zonden] van wie maar ook behoudt, zijn ze hun behouden.”+ 24  Tho̱mas,+ één van de twaalf, die De Tweeling* werd genoemd, was echter niet bij hen toen Jezus kwam. 25  Dientengevolge zeiden de andere discipelen tot hem: „Wij hebben de Heer gezien!” Maar hij zei tot hen: „Als ik niet in zijn handen het teken van de spijkers zie en mijn vinger niet in het teken van de spijkers steek en mijn hand niet in zijn zijde+ steek, zal ik stellig niet geloven.”+ 26  Acht dagen later nu waren zijn discipelen weer binnenshuis, en Tho̱mas was bij hen. Ofschoon de deuren op slot waren, kwam Jezus, en hij trad in hun midden en zei: „Vrede zij U.”+ 27  Vervolgens zei hij tot Tho̱mas: „Leg uw vinger hier, en zie mijn handen, en neem uw hand+ en steek die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar word gelovig.” 28  Tho̱mas gaf hem ten antwoord: „Mijn Heer en mijn God!”+ 29  Jezus zei tot hem: „Omdat gij mij hebt gezien, hebt gij geloofd? Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.”+ 30  Jezus heeft weliswaar nog vele andere tekenen in het bijzijn van de discipelen verricht, die niet in deze boekrol zijn opgetekend.+ 31  Maar deze zijn opgetekend+ opdat GIJ moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat GIJ door te geloven+ leven moogt hebben door middel van zijn naam.

Voetnoten

Of: „Meester.”
„Rabboni!” J18(Hebr.): Rib·bō·niʹ.
Of: „Didymus.” Gr.: Diʹdu·mos; Lat.: Diʹdy·mus.