Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Johannes 13:1-38

13  Omdat Jezus nu vóór het paschafeest wist dat zijn uur was gekomen+ om uit deze wereld naar de Vader te gaan,+ had hij de zijnen die in de wereld waren en die hij had liefgehad,+ tot het einde toe lief.  Terwijl het avondmaal daarom aan de gang was* en toen de Duivel Ju̱das Iska̱riot, de zoon van Si̱mon, reeds in het hart had gegeven+ hem te verraden,+  stond hij, daar hij wist dat de Vader alle dingen in [zijn] handen had gegeven+ en dat hij van God was uitgegaan en tot God heenging,+  van het avondmaal op en legde zijn bovenklederen af. En hij nam een linnen doek en omgordde zich.+  Daarna deed hij water in een kom en begon de voeten van de discipelen te wassen+ en ze met de linnen doek waarmee hij omgord was, af te drogen.  Zo kwam hij dan bij Si̱mon Pe̱trus. Hij zei tot hem: „Heer,* wast gij mijn voeten?”+  Jezus gaf hem ten antwoord: „Wat ik doe, begrijpt gij op het ogenblik niet, maar gij zult het na deze dingen begrijpen.”+  Pe̱trus zei tot hem: „Gij zult mijn voeten stellig nooit wassen.” Jezus antwoordde hem: „Indien ik u niet was,+ hebt gij geen deel met mij.”  Si̱mon Pe̱trus zei tot hem: „Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.” 10  Jezus zei tot hem: „Wie zich heeft gebaad,+ behoeft niet meer dan zijn voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.” 11  Hij kende immers de mens die hem verried.+ Daarom zei hij: „Niet allen zijt GIJ rein.” 12  Toen hij nu hun voeten had gewassen en zijn bovenklederen had aangetrokken en weer aan tafel was gaan aanliggen, zei hij tot hen: „Weet GIJ wat ik U heb gedaan? 13  GIJ spreekt mij met ’Leraar’+ en ’Heer’+ aan, en GIJ zegt dat terecht, want dat ben ik.+ 14  Indien ik daarom, ofschoon ik Heer en Leraar ben, UW voeten heb gewassen,+ dan behoort ook GIJ elkaars voeten te wassen.+ 15  Want ik heb U het voorbeeld gegeven, opdat ook GIJ zoudt doen zoals ik U heb gedaan.+ 16  Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Een slaaf is niet groter dan zijn meester, noch is iemand die wordt uitgezonden,* groter dan degene die hem heeft gezonden.+ 17  Indien GIJ deze dingen weet, gelukkig zijt GIJ als GIJ ze doet.+ 18  Ik spreek niet van U allen; ik weet wie ik heb uitgekozen.+ Maar het is opdat de schriftplaats vervuld zou worden:+ ’Hij die zich met mijn brood placht te voeden, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.’+ 19  Vanaf dit ogenblik vertel ik het U, voordat het gebeurt,+ opdat GIJ, wanneer het gebeurt, moogt geloven dat ik het ben. 20  Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Wie iemand ontvangt die ik zend, ontvangt [ook] mij.+ En wie mij ontvangt, ontvangt [ook] hem die mij heeft gezonden.”+ 21  Nadat Jezus deze dingen had gezegd, werd hij verontrust in de geest, en hij legde getuigenis af en zei: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Een van U zal mij verraden.”+ 22  De discipelen keken elkaar toen aan, in het onzekere over wie hij [dat] zei.+ 23  Aan Jezus’ boezem lag een van zijn discipelen aan, en Jezus had hem lief.*+ 24  Si̱mon Pe̱trus knikte hem derhalve toe en zei tot hem: „Zeg wie het is over wie hij [dat] zegt.” 25  De laatste leunde dus achterover tegen Jezus’ borst en zei tot hem: „Heer, wie is het?”+ 26  Jezus dan antwoordde: „Het is degene aan wie ik de bete zal geven die ik indoop.”+ Na daarom de bete te hebben ingedoopt, nam hij ze en gaf ze aan Ju̱das, de zoon van Si̱mon Iska̱riot. 27  En na de bete voer Sa̱tan voorts in hem.+ Daarom zei Jezus tot hem: „Wat gij doet, doe dat met nog meer spoed.” 28  Maar niemand van de aanliggenden wist met welk doel hij dit tot hem zei. 29  Aangezien Ju̱das de geldkist had,+ meenden sommigen in feite dat Jezus tot hem zei: „Koop wat wij voor het feest nodig hebben”, of dat hij iets aan de armen moest geven.+ 30  Nadat hij nu de bete had ontvangen, ging hij onmiddellijk naar buiten. En het was nacht.+ 31  Toen hij dan naar buiten was gegaan, zei Jezus: „Nu wordt de Zoon des mensen verheerlijkt,+ en God wordt verheerlijkt in verband met hem.* 32  En God zelf zal hem verheerlijken,+ en hij zal hem onmiddellijk verheerlijken. 33  Kindertjes,+ nog maar kort ben ik bij U. GIJ zult mij zoeken; en zoals ik tot de joden heb gezegd: ’Waarheen ik ga, kunt GIJ niet komen’,+ zo zeg ik het op het ogenblik ook tot U. 34  Ik geef U een nieuw gebod, dat GIJ elkaar liefhebt; net zoals ik U heb liefgehad,+ dat ook GIJ elkaar liefhebt.+ 35  Hieraan zullen allen weten dat GIJ mijn discipelen zijt, indien GIJ liefde onder elkaar hebt.”+ 36  Si̱mon Pe̱trus zei tot hem: „Heer, waar gaat gij naar toe?” Jezus antwoordde: „Waarheen ik ga, kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.”+ 37  Pe̱trus zei tot hem: „Heer, waarom kan ik u op het ogenblik niet volgen? Ik zal ten behoeve van u afstand doen van mijn ziel.”+ 38  Jezus antwoordde: „Zult gij ten behoeve van mij afstand doen van uw ziel?* Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Er zal geenszins een haan kraaien voordat gij mij driemaal hebt verloochend.”+

Voetnoten

„Aan de gang was.” Of: „bereid werd.”
Of: „Meester.”
„Iemand die wordt uitgezonden.” Of: „een apostel (afgezant).” Gr.: a·poʹsto·los; Lat.: a·poʹsto·lus.
Of: „had een voorliefde voor hem.”
Of: „door bemiddeling van hem.”
Of: „leven.” Gr.: psuʹchen; Lat.: aʹni·mam; J17,18,22(Hebr.): naf·sjekhaʹ (van neʹfesj).