Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Johannes 12:1-50

12  Zes dagen vóór het Pascha dan kwam Jezus in Betha̱nië+ aan, waar La̱zarus*+ was, die door Jezus uit de doden was opgewekt.  Daarom rechtten zij daar een avondmaaltijd voor hem aan, en Ma̱rtha+ bediende,+ maar La̱zarus was een van degenen die met hem aan tafel aanlagen.+  Mari̱a dan nam een pond* welriekende olie, echte en zeer kostbare nardus,+ en zij wreef de voeten van Jezus ermee in en droogde zijn voeten met haar haren af.+ Het huis werd vervuld met de geur van de welriekende olie.  Maar Ju̱das Iska̱riot,+ een van zijn discipelen, die op het punt stond hem te verraden, zei:  „Waarom is deze welriekende+ olie niet voor driehonderd denarii* verkocht en aan de armen+ gegeven?”  Dit zei hij echter niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was+ en de geldkist had+ en gewoon was het daarin gestorte geld weg te nemen.  Daarom zei Jezus: „Laat haar begaan, opdat zij dit gebruik in acht kan nemen met het oog op de dag van mijn begrafenis.+  Want de armen+ hebt GIJ altijd bij U, maar mij zult GIJ niet altijd hebben.”  Een grote schare der joden dan kwam te weten dat hij daar was, en zij kwamen niet alleen vanwege Jezus, maar ook om La̱zarus te zien, die hij uit de doden had opgewekt.+ 10  De overpriesters beraadslaagden nu om ook La̱zarus te doden,+ 11  omdat vanwege hem velen der joden daarheen gingen en geloof stelden in Jezus.+ 12  Toen de grote schare die naar het feest was gekomen, de volgende dag hoorde dat Jezus naar Jeru̱zalem kwam, 13  namen zij de takken van palmbomen+ en gingen hem tegemoet. En zij riepen voorts:+ „Red toch!*+ Gezegend is hij die komt in Jehovah’s* naam,+ ja, de koning+ van I̱sraël!” 14  Toen Jezus echter een jonge ezel+ had gevonden, ging hij daarop zitten, zoals er geschreven staat: 15  „Vrees niet, dochter van Si̱on. Zie! Uw koning komt,+ gezeten op een ezelsveulen.”+ 16  Aanvankelijk sloegen zijn discipelen geen acht op deze dingen,+ maar toen Jezus werd verheerlijkt,+ toen herinnerden zij zich dat dit over hem geschreven stond en dat men dit met hem had gedaan.+ 17  De schare dan die bij hem was toen hij La̱zarus+ uit het herinneringsgraf riep en hem uit de doden opwekte, bleef getuigenis afleggen.+ 18  Daarom ging de schare hem ook tegemoet, omdat zij hoorden dat hij dit teken+ had verricht. 19  De Farizeeën+ zeiden derhalve onder elkaar: „GIJ ziet dat GIJ absoluut niets bereikt. Ziet! De wereld is hem achternagelopen.”+ 20  Nu waren er onder hen die opgingen om op het feest te aanbidden, enige Grieken.+ 21  Dezen dan gingen naar Fili̱ppus+ toe, die uit Bethsa̱ïda in Galile̱a was, en richtten toen het volgende verzoek tot hem: „Heer, wij willen Jezus zien.”+ 22  Fili̱ppus ging het aan Andre̱as zeggen. Andre̱as en Fili̱ppus gingen het aan Jezus zeggen. 23  Maar Jezus antwoordde hun en zei: „Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen verheerlijkt moet worden.+ 24  Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Indien een tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij slechts één [korrel]; maar indien hij sterft,+ dan draagt hij veel vrucht. 25  Hij die ten zeerste gesteld is op zijn ziel,* vernietigt ze, maar hij die zijn ziel in deze wereld haat,+ zal ze bewaren voor het eeuwige leven.+ 26  Wil iemand mij dienen, dan moet hij mij volgen, en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar* zijn.+ Indien iemand mij dient, zal de Vader hem eren.+ 27  Nu is mijn ziel verontrust,+ en wat zal ik zeggen? Vader, red mij uit dit uur.+ Niettemin ben ik juist hierom tot dit uur gekomen. 28  Vader, verheerlijk uw naam.” Daarom kwam er een stem+ uit de hemel: „Ik heb [hem] verheerlijkt en zal [hem] wederom verheerlijken.”+ 29  De schare dan die erbij stond en het hoorde, zei dat het had gedonderd. Anderen zeiden: „Een engel heeft tot hem gesproken.” 30  Jezus gaf ten antwoord: „Deze stem is niet ter wille van mij geschied, maar ter wille van U.+ 31  Nu wordt er een oordeel aan deze wereld voltrokken; nu zal de heerser van deze wereld+ worden buitengeworpen.+ 32  Nochtans zal ik, wanneer ik van de aarde ben omhooggeheven,+ mensen van alle soorten* tot mij trekken.”+ 33  Dit zei hij in werkelijkheid om aan te duiden wat voor een dood hij weldra zou sterven.+ 34  Daarom antwoordde de schare hem: „Wij hebben uit de Wet gehoord dat de Christus in eeuwigheid blijft;+ en hoe kunt gij dan zeggen dat de Zoon des mensen omhooggeheven moet worden?+ Wie is deze Zoon des mensen?”+ 35  Jezus zei derhalve tot hen: „Nog een korte tijd zal het licht onder U zijn. Wandelt zolang GIJ het licht hebt, opdat de duisternis+ U niet overweldigt; en wie in de duisternis wandelt, weet niet waarheen hij gaat.+ 36  Oefent geloof in het licht zolang GIJ het licht hebt, ten einde zonen van het licht te worden.”+ Deze dingen sprak Jezus en hij ging heen en verborg zich voor hen. 37  Maar ofschoon hij zo vele tekenen voor hun ogen had verricht, stelden zij geen geloof in hem, 38  zodat het woord van de profeet Jesa̱ja werd vervuld, dat hij gesproken heeft: „Jehovah,* wie heeft geloof gesteld in hetgeen door ons is gehoord?*+ En wat de arm van Jehovah* betreft, aan wie is die geopenbaard?”+ 39  De reden waarom zij niet konden geloven, is dat Jesa̱ja wederom heeft gezegd: 40  „Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard,+ opdat zij niet met hun ogen zouden zien en met hun hart de gedachte zouden begrijpen en zich zouden omkeren en ik hen gezond zou maken.”+ 41  Jesa̱ja heeft deze dingen gezegd omdat hij zijn heerlijkheid heeft gezien,+ en hij heeft over hem gesproken. 42  Toch stelden zelfs velen van de regeerders werkelijk geloof in hem,+ maar vanwege de Farizeeën beleden zij [hem] niet, om niet uit de synagoge te worden geworpen;*+ 43  want zij hadden de heerlijkheid van de mensen meer lief dan zelfs de heerlijkheid van God.+ 44  Jezus riep echter uit en zei: „Wie geloof stelt in mij, stelt niet [alleen] geloof in mij, maar [ook] in hem die mij heeft gezonden;+ 45  en hij die mij aanschouwt, aanschouwt [ook] hem die mij heeft gezonden.+ 46  Ik ben als een licht in de wereld gekomen,+ opdat een ieder die geloof stelt in mij, niet in de duisternis blijft.+ 47  Maar indien iemand mijn woorden hoort en ze niet onderhoudt, ik oordeel hem niet; want ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen,+ maar om de wereld te redden.+ 48  Hij die mij minacht en mijn woorden niet aanneemt, heeft iemand die hem oordeelt. Het woord+ dat ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de laatste dag; 49  want ik heb niet uit mijzelf gesproken, maar de Vader, die mij heeft gezonden, heeft mij zelf een gebod gegeven met betrekking tot wat ik zeggen en wat ik spreken moet.+ 50  Ook weet ik dat zijn gebod eeuwig leven betekent.*+ De dingen die ik daarom spreek, spreek ik zoals de Vader [ze] mij heeft gezegd.”+

Voetnoten

Zie 11:1 vtn.
Gr.: liʹtran. Ca. 327 g.
Ca. $260 bij een zilverprijs van $7 per ounce (ca. 31 g). Zie App. 8A.
Lett.: „Hosanna.” J7-14,16-19,22(Hebr.): Hō·sjaʽ-naʼʹ.
Zie App. 1D.
Of: „leven.” Gr.: psuʹchen; J17,18,22(Hebr.): naf·sjōʹ (van neʹfesj).
„Dienaar.” Gr.: di·aʹko·nos; Lat.: mi·niʹster (van miʹnus, „minder”); J18,22(Hebr.): mesja·rethiʹ, „mijn dienaar”.
Of: „alle mensen.”
Zie App. 1D.
Of: „wie heeft ons bericht geloofd?”
Zie App. 1D.
Zie 9:22 vtn.
Of: „is.”