Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Johannes 1:1-51

1  In [het] begin+ was het Woord,*+ en het Woord was bij God,*+ en het Woord was een god.*+  Deze was in [het] begin+ bij God.+  Alle dingen zijn door bemiddeling van hem ontstaan,+ en zonder hem is zelfs niet één ding ontstaan. Wat is ontstaan  door bemiddeling van hem, was leven,+ en het leven was het licht+ der mensen.*  En het licht schijnt in de duisternis,+ maar de duisternis heeft het niet overweldigd.  Er stond een mens op die als een vertegenwoordiger van God werd uitgezonden;+ zijn naam was Joha̱nnes.*+  Deze kwam tot een getuigenis,+ ten einde getuigenis af te leggen omtrent het licht,+ opdat alle soorten van mensen door bemiddeling van hem tot geloof zouden komen.+  Niet hij was dat licht,+ maar hij moest getuigenis afleggen+ omtrent dat licht.  Het ware licht,+ dat alle soorten van mensen+ licht geeft,+ stond op het punt in de wereld* te komen. 10  Hij was in de wereld,+ en de wereld is door bemiddeling van hem ontstaan,+ maar de wereld kende hem niet. 11  Hij kwam tot zijn eigen huis, maar de zijnen namen hem niet tot zich.+ 12  Doch aan allen die hem wel ontvingen,+ heeft hij de macht gegeven Gods kinderen+ te worden, omdat zij geloof oefenden in zijn naam;+ 13  en zij zijn niet uit bloed* noch uit een vleselijke wil of uit de wil van een man geboren, maar uit God.+ 14  Het Woord nu is vlees geworden+ en heeft onder ons verblijf gehouden,* en wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid zoals die van een eniggeboren zoon+ van een vader; en hij was vol onverdiende goedheid en waarheid.+ 15  (Joha̱nnes heeft getuigenis over hem afgelegd, ja, hij heeft werkelijk uitgeroepen — deze was het die [het] zei — en gezegd: „Degene die na mij komt, is mij voorafgegaan, want hij bestond vóór mij.”+) 16  Want wij allen hebben uit zijn volheid+ ontvangen, zelfs onverdiende goedheid op onverdiende goedheid.+ 17  Want de Wet werd door bemiddeling van Mo̱zes gegeven,+ de onverdiende goedheid+ en de waarheid+ zijn door bemiddeling van Jezus Christus gekomen. 18  Geen mens heeft ooit God gezien;+ de eniggeboren god,*+ die in de boezem[positie]+ bij de Vader is, die heeft hem verklaard.+ 19  Dit dan is het getuigenis* van Joha̱nnes, toen de joden priesters en levieten uit Jeru̱zalem naar hem toe zonden om hem te vragen: „Wie zijt gij?”+ 20  En hij beleed en ontkende het niet, maar beleed: „Ik ben de Christus niet.”+ 21  En zij vroegen hem: „Wat dan? Zijt gij Eli̱a?”*+ En hij zei: „Ik ben het niet.” „Zijt gij De Profeet?”+ En hij antwoordde: „Neen!” 22  Daarom zeiden zij tot hem: „Wie zijt gij?, opdat wij een antwoord kunnen geven aan hen die ons hebben gezonden. Wat zegt gij over uzelf?”+ 23  Hij zei: „Ik ben een stem van iemand die in de wildernis roept: ’Maakt de weg van Jehovah* recht’, zoals de profeet Jesa̱ja heeft gezegd.”+ 24  De uitgezondenen nu waren uit de Farizeeën. 25  Zij dan vroegen hem en zeiden tot hem: „Waarom doopt+ gij dan, als gijzelf niet de Christus of Eli̱a of De Profeet zijt?” 26  Joha̱nnes antwoordde hun en zei: „Ik doop* in water. In UW midden+ staat iemand die GIJ niet kent,+ 27  degene die na mij komt, maar wiens sandaalriem ik niet waardig ben los te maken.”+ 28  Deze dingen gebeurden in Betha̱nië* aan de overkant van de Jorda̱a̱n, waar Joha̱nnes aan het dopen was.+ 29  De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: „Zie, het Lam+ Gods dat de zonde der wereld*+ wegneemt!+ 30  Deze is het van wie ik zei: Na mij komt een man die mij voorafgegaan is, want hij bestond vóór mij.+ 31  Ook ik kende hem niet, maar de reden waarom ik in water kwam dopen, was dat hij aan I̱sraël openbaar gemaakt zou worden.”+ 32  Joha̱nnes legde eveneens getuigenis af door te zeggen: „Ik zag de geest gelijk een duif uit de hemel neerdalen, en hij bleef op hem.+ 33  Ook ik kende hem niet, maar Degene die mij heeft gezonden+ om in water te dopen, die heeft tot mij gezegd: ’Degene op wie gij de geest ziet neerdalen en blijven, die is het die in heilige geest doopt.’+ 34  En ik heb [het] gezien, en ik heb getuigenis afgelegd dat deze de Zoon van God is.”+ 35  De volgende dag stond Joha̱nnes [daar] weer, met twee van zijn discipelen, 36  en toen hij Jezus zag lopen, zei hij: „Ziet, het Lam+ Gods!” 37  En de twee discipelen hoorden hem spreken, en zij volgden Jezus. 38  Jezus dan keerde zich om, en toen hij zag dat zij hem volgden, zei hij tot hen: „Wat zoekt GIJ?” Zij zeiden tot hem: „Rabbi (hetgeen vertaald betekent: Leraar), waar houdt gij verblijf?” 39  Hij zei tot hen: „Komt, dan zult GIJ het zien.”+ Daarop gingen zij mee en zagen waar hij verblijf hield, en zij bleven die dag bij hem; het was ongeveer het tiende uur.* 40  Eén van de twee die hadden gehoord wat Joha̱nnes had gezegd en [Jezus*] waren gevolgd, was Andre̱as,+ de broer van Si̱mon Pe̱trus. 41  Deze vond eerst* zijn eigen broer, Si̱mon, en zei tot hem: „Wij hebben de Messi̱as*+ gevonden” (hetgeen vertaald betekent: Christus+). 42  Hij bracht hem bij Jezus. Jezus keek+ hem aan en zei: „Gij zijt Si̱mon,+ de zoon van Joha̱nnes;*+ gij zult Ce̱fas* (dat vertaald wordt met Pe̱trus*+) worden genoemd.” 43  De volgende dag wilde hij naar Galile̱a vertrekken. En Jezus vond Fili̱ppus+ en zei tot hem: „Wees mijn volgeling.”+ 44  Fili̱ppus nu was uit Bethsa̱ïda,+ uit de stad van Andre̱as en Pe̱trus. 45  Fili̱ppus vond Natha̱naël+ en zei tot hem: „Wij hebben degene gevonden over wie Mo̱zes, in de Wet,+ en de Profeten+ hebben geschreven, Jezus, de zoon van Jo̱zef,+ uit Na̱zareth.” 46  Maar Natha̱naël zei tot hem: „Kan uit Na̱zareth iets goeds komen?”+ Fili̱ppus zei tot hem: „Kom dan kijken.” 47  Jezus zag Natha̱naël naar zich toe komen en zei over hem: „Zie, stellig een Israëliet, in wie geen bedrog is.”+ 48  Natha̱naël zei tot hem: „Hoe komt het dat gij mij kent?” Jezus gaf hem ten antwoord: „Voordat Fili̱ppus u riep, terwijl gij onder de vijgenboom waart, zag ik u.” 49  Natha̱naël antwoordde hem: „Rabbi, gij zijt de Zoon van God,+ gij zijt Koning+ van I̱sraël.” 50  Jezus gaf hem ten antwoord: „Omdat ik tot u zei dat ik u onder de vijgenboom zag, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan deze.” 51  Verder zei hij tot hem: „Voorwaar, voorwaar,* ik zeg ulieden: GIJ zult de hemel geopend zien en de engelen*+ Gods zien opstijgen en neerdalen tot* de Zoon des mensen.”+

Voetnoten

Of: „de Logos.” Gr.: ho loʹgos; Lat.: Verʹbum; J17,18,22(Hebr.): had·Da·varʹ.
Lett.: „was op de God gericht.” Gr.: en pros ton Theʹon; J17,18(Hebr.): ha·jahʹ ʼeth ha·ʼElo·himʹ.
„Een god.” Gr.: theʹos, in tegenstelling met ton Theʹon, „de God”, in dezelfde zinsnede; J17,22(Hebr.): weʼ·lo·himʹ, „en een god [was het Woord]”. Zie voor de weergave „een god” App. 6A.
De interpunctie van vs. 3 en 4 is volgens WH, Vgww, UBS en Nestle-Aland.
Zie Mt 3:1 vtn., „Johannes”.
Zie 3:16 vtn.
„Bloed” is in het Gr. mv.
„Verblijf gehouden.” Lett.: „in een tent gewoond.” Zie Opb 21:3 vtnn.
„De eniggeboren god”, P75אc; P66א*BC*: „eniggeboren god”; ACcItVgSyc,h: „de eniggeboren Zoon.”
„Getuigenis.” Gr.: mar·tuʹri·a; Lat.: te·sti·moʹni·um.
„Elia” (wat „Mijn God is Jehovah” betekent), J17,18,22; Gr.: E·leiʹas.
Zie App. 1D.
Of: „Ik dompel onder.” Gr.: ba·ptiʹzo.
Niet het Bethanië bij Jeruzalem.
Vgl. 3:16 vtn.
D.w.z. omstreeks 4 uur ’s middags, gerekend vanaf zonsopgang.
Lett.: „hem.”
„De volgende morgen vroeg”, Ithss.Sys.
Of: „de Gezalfde.” Gr.: ton Mesʹsi·an; Lat.: Mes·siʹam; J17,18,22(Hebr.): ham·Ma·sjiʹach.
„Johannes”, P66,75אB*It; ABcVgcSyp,s: „Jona.”
„Cefas.” Gr.: Keʹfas. Een Aram. naam (Kē·faʼ), hier mnl., zoals in Mt 16:18 in Syr. hss. Zie Mt 16:18 vtn., „Rots”.
Bet.: „Een (rots)steen; Een stuk rots.” Gr.: Peʹtros.
„Voorwaar, voorwaar.” Gr.: Aʹmen, aʹmen.
Of: „boodschappers.” Gr.: agʹge·lous (spreek uit: anʹge·loes); Lat.: anʹge·los. Vgl. Job 33:23; Ps 91:11.
Of: „in dienst van.”